Vrijdag de 13e

Mijn pieper gaat voor de zoveelste keer. Het is een uur of 3 ‘s nachts. Direct stokt mijn adem. Mijn hartslag versneld en binnen no-time lijkt mijn hart uit mijn borstkas te springen. Ik sta op van mijn stoel en met lood in mijn schoenen wandel ik de verlaten gang door. Een stortvloed van horrorscenario’s speelt zich af in mijn hoofd. Voor het juiste kamernummer sta ik stil. Ik adem nog een keer diep in en open met trillende handen de kamerdeur. Een muffe, misselijkmakende geur dringt diep mijn neusgaten binnen. Het is stil in de kamer en mijn ogen moeten wennen aan het donker. Ik probeer de kamer zo snel mogelijk in mij op te nemen. Ergens vanuit de hoek van de kamer klinkt zacht gesnurk. En wanneer mijn ogen aan het donker gewend zijn, verschijnt er in diezelfde hoek een bed. Er ligt een klein hoopje mens in, bedolven onder kussens, knuffeltjes en dekens. Boven haar hoofd knippert het rode lampje van de bewegingssensor. Ik druk twee keer op het knopje en het lampje gaat uit. Voor de lijn van de sensor ligt een pluche beertje. Ik pak het op. Het beertje heeft een groot, rood hart vast waarop de woorden ‘I love you’ staan gedrukt. Waarschijnlijk is het beertje van het bed gevallen en heeft met zijn val per ongeluk de sensor geactiveerd. Ik leg hem weer op bed bij het zielige hoopje mens. Haar hand glijdt in de richting van het beertje en in mijn verbeelding lijkt het even of ze glimlacht. Op mijn tenen sluip ik de kamer weer uit. ‘Droom fijn,’ fluister ik. Mijn ademhaling gaat weer gewoon en mijn hart lijkt niet meer uit haar voegen te barsten. Ik wandel weer terug naar mijn stoel en bereid mij voor op de volgende beer op de weg.

Een psycholoog zei tijdens een van de vele sessies ooit tegen mij dat ik een angst- en paniekstoornis heb. Het was geen officiële diagnose van hem, hij heeft ‘een hekel aan labels’. Toch kon ik mij er goed in vinden. Ik ben namelijk voor heel veel dingen bang. Die angst slaat zo nu en dan over in blinde paniek, waarin ik als verlamd wacht tot het over is. Soms kan ik de scherpe kantjes van de aanval halen door mijn zinnen op iets heel luchtigs te zetten: een jolig telefoongesprek met een vriend, een gek filmpje op het internet of een verhaal uit een kinderboek. Maar soms lig ik bibberend in mijn bed te denken aan hoe mijn laatste uur geslagen heeft: ik ben er dan heilig van overtuigd dat ik bijvoorbeeld à la minute doodga aan een hartaanval.

Deze week draaide ik mijn eerste nachtdienst in de zorg. Ik zag er best een beetje tegenop, want dat doe ik altijd bij dingen waarvan ik niet weet wat ik kan verwachten. ‘s Middags heb ik nog een uurtje geslapen en toen ik wakker werd, zag ik op het nieuws het afschuwelijke bericht over de vermiste Anne Faber. Ze hadden haar na dagenlange onzekerheid gevonden. Dood. Mijn hart stond even stil en een vlaag van misselijkheid overviel me. Wat lopen er toch een hoop verknipte idioten rond op deze wereld. Tijdens mijn avondeten kon ik het niet loslaten en tijdens het douchen spookte het nieuws nog in mijn hoofd. Ik moet denken aan haar nabestaanden, aan de angst die zijzelf heeft moeten voelen en aan het feit dat het net zo goed ik of een vriendin of ieder ander willekeurig meisje had kunnen zijn. Een typisch gevalletje ‘verkeerde tijd, verkeerde plek’. En dat besef, is kei- en keihard. Dat maakt me bang.

Rond half 11 ‘s avonds ging ik de deur uit. Ik voelde het donker van de nacht over me heen vallen. Ik ben bang voor het donker.

Ik belde een vriendin op om even mee te kletsen. Ze maakte me aan het lachen en begeleidde me telefonisch de gehele metrorit. Ik zei haar gedag en ze maakte in haar succeswens nog een grapje over Vrijdag de 13e. Ik lachte, maar vond het, gezien mijn goedgelovig- en dus bijgelovigheid, eigenlijk helemaal niet zo grappig. Ik ben bang voor alles dat ongeluk zou kunnen brengen.

Eenmaal boven legde mijn collega’s alles een beetje uit en we begonnen aan onze rondes. Het was rustig op de afdelingen. De meesten sliepen al, sommigen keken televisie. Hier en daar hoorde ik de kalme stem van een nieuwslezer uit een kamer komen. Enkelen vroegen of ik even hun rug wilde insmeren of een kop thee voor hen wilde maken. Een rustig, kalm begin van de nacht. Ik was weer wat ontspannen.

Terug van de ronde vroeg mijn collega of ik beneden wilde checken of alle ramen en deuren dicht zaten en er geen insluipers in het gebouw waren. Ik ben bang voor insluipers. Een mega groot verzorgingshuis, lichten overal uit, ongelooflijk veel ruimtes en een kerk die vanaf binnen bereikbaar is. Nou, dan heb je me. Alert als een kat die een muis ziet, sloop ik door de gangen.

Terug boven, – gelukkig geen insluipers, alles was dicht – moest ik even bekomen en ging buiten op balkon zitten. Toen ik door het raam naar binnen keek, zag ik twee muizen onder de tafel zitten. Een flutangst: maar voor muizen ben ik ook bang. Ik kon niet de hele nacht op het balkon blijven staan, dus na hard op de deur te hebben geklopt, ging ik weer naar binnen. Mijn collega vertelde over een client die ernstig ziek is. Het kwam er eigenlijk op neer dat ze ieder moment zou kunnen sterven. Ik ben bang voor de dood.

Het werd tijd voor de tweede ronde, via een buitengang liepen we naar de andere verdieping. Een gang die zelden wordt gebruikt, want ik liep direct door een mega spinnenweb, dikke kruisspin incluis. Je raadt het al: ook voor spinnen ben ik bang. Ik was zo ongeveer op de helft van mijn dienst, en ik wilde niet meer. Iedere keer als mijn pieper ging, hoopte ik vurig dat mijn collega zei: ik ga wel. Maar negen van de tien keer, vroeg hij of ik wilde gaan. En dan ging ik, biddend en wensend dat het alleen om een aspirientje of een nachtkus ging.

Er zijn verder die nacht geen enge dingen gebeurd. Ik moet ook eerlijk zeggen dat er in 99% van de tijd dat ik bang ben sowieso niks engs gebeurt, maar het leven met die angst en paniek is zò vermoeiend. Het kan me urenlang in zijn greep houden en me volledig overnemen. Angst om alles, angst voor alles, angst voor de angst. Het blijft zo’n slechte raadgever.

Ik ben ermee in gevecht en de winnaar is officieel nog niet benoemd, maar ik hoop, ik denk, ik voel, ik wil dat de dag komt dat ik lamgeslagen, misschien wel volslagen losgeslagen, de angst van mij heb afgeslagen…

3 Comments

  1. Tuurlijk weet ik van jouw angsten, uiteenlopend van bang in het donker tot bang voor spinnen. Wat ik óók weet is dat jij dingen durft die ik nooit zou durven. Vol bewondering en trots ben ik dat jij mijn dochter bent. En wéér fantastisch geschreven ❤❤❤

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

CommentLuv badge

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.