Vertellen is eng

Mijn vingers omklemmen de stalen stang van een klimrek. Het lijkt zo hoog. Ik durft niet meer. Het zweet breekt me uit en mijn vingers glijden langzaam los. De navel bloot, de tenen naar beneden. Het kost heel veel kracht om mij vast te houden, mijn hele lichaam, mijn hele trots, al die zwaarte. Vallen is geen optie. Er is lava onder me. Of nog erger: een keiharde grond. Maar vallen wil ik niet. In mijn slapen voel ik mijn hart kloppen, mijn hoofd wordt heet. Dus knijp ik mijn ogen dicht en hou ik me heel stevig vast: “niet vallen niet vallen niet vallen”.

Mijn therapeut zegt mij voorzichtig dat hij mij niet veroordelen zal. Dat hij niet boos zal worden. Dat het hier veilig is. Ik ben nog geen vijf minuten binnen en staar alweer naar de grond waar ik in gedachten probeer alle strepen op de vloer op een rij te denken. Dat kan natuurlijk niet, maar dat doe ik hier nou eenmaal wanneer ik wil dat het makkelijker is. Ik trek mijn mouwen over mijn handen en frunnik wat. Ik heb net gezegd dat er meerdere dingen zijn die ik delen wil maar kan niet kiezen welke.

Wanneer hij aangeeft dat hij het graag hoort maar niet voor mij gaat beslissen wat, wordt het heel lastig: ik moet zelf kiezen wat te vertellen. Ondertussen razen de angstbeelden door mijn hoofd. Die wil ik al helemaal niet vertellen, niet meteen, ik heb inleidende afleidende woorden nodig. Waarom begin ik niet gewoon? Waarom zet ik dit niet opzij en begin ik niet gewoon met vertellen? Waarom wil ik mij zo graag vastklampen aan verstarring?

Het duurt echt lang, dit gesprek. Terwijl ik nog niets vertel. Ik ben lang stil en heb het heel moeilijk. Want ik begrijp hem. Ik zie hoe lastig het voor hem is om de ‘juiste’ woorden te gebruiken, de ‘juiste’ intonatie. Want hij weet dat wanneer hij een milliseconde mij het idee geeft dat het niet veilig is, dat alles zich nog verder sluiten zal. Ook dat zie ik, begrijp ik. Maar loslaten, gewoon vertellen, ho maar. Waarom weet ik niet. We hebben dit gesprek al vier jaar om de zoveel keer. Wekelijks duurt het tien minuten. En soms, zoals vandaag, neemt het bijna de hele vijfenveertig minuten in.

Uiteindelijk, wanneer het toch echt bijna tijd is, flap ik het eruit. Niet dat wat ik wilde vertellen, maar wel het meest schaamtevolle beeld dat zich aan mij op bleef dringen. Hij reageert begripvol, steunend als altijd. Even kunnen we datgene aanraken wat zo’n pijn doet en verwarrend is. Maar dan is het toch echt tijd. Ik sta op en we schudden elkaar de hand. Ik zou voor altijd willen kunnen blijven, vertellen mijn ogen. Hij knikt me begripvol gedag. “Dankjewel” zeg ik.

Oja, het klimrek: Ik hoop dat ik mij de volgende keer sneller durf te laten vallen. Zodat er iemand bij is om te vragen of ik mij heb bezeerd.

Ook zin gekregen om te schrijven? Stuur een blog in naar dsmmeisjes!