Ik sta nooit stil

Vandaag blader ik in mijn oude dagboeken, omdat dat soms even nodig is als je je koud en leeg voelt en het gevoel hebt stil te staan.
Ik zie me zoeken naar contact (“Ik kan misschien beter geen mensen zien, want het geeft me eerder een slecht dan een goed gevoel”), intens opzien tegen school (“Alles schreeuwt dat ik niet wil. Ik ga nog liever dood. En toch ging ik weer”) en verstoppen in de kast (“De kast is de enige plek die echt van mij is, waar ik niemand tot last ben en er gewoon mag zijn”).
Ik zie een meisje dat door en door eenzaam is en helemaal klem zit, maar ook in een tekst schrijft dat ze verwacht dat de psychiater niet zal snappen waarom ze komt.
Terwijl ik bijna twee jaar later nog steeds onder behandeling ben.

Maar ik vond ook een verhaal terug, dat ik vergeten was. In dat verhaal lees ik de kern van wat mij er al die tijd doorheen heeft gesleept. Een onverwoestbare drang tot leven en het doorgronden ervan. Het willen begrijpen. Het altijd maar doorgaan met leven, vanuit dat laatste restje nieuwsgierigheid.

Ik stap bij God over de drempel en verwacht eindelijk in de hemel te zijn.
“Vertel, hoe was de hemel?” vraagt God. Ik ben even van mijn à propos, besef dat ik de hemel blijkbaar niet betreed, maar deze juist heb verlaten toen mijn aardse leven ten einde kwam.
Maar daarna geef ik God mijn antwoord:

“In de hemel had je adembenemend mooie natuur die je reinigde van binnen en je voorzag van zuurstof. Als je je erin begaf kon je je heel leeg voelen, of juist heel vol.
Je had er muziek. Je had er mensen met een passie. Dat was fantastisch om te mogen zien en om je in het vuur ervan te mogen warmen.
Je had er allerlei elektrische spullen die je voldoening gaven, maar ook afleiding, verwardheid en vele vragen.
Je had er mensen die straalden en mensen die alleen hun ego achterna liepen als kippen zonder kop.
Je had er mensen die het leven zomaar als een hapklare brok inslikte, zonder zich ooit iets af te vragen of te zoeken naar andere mogelijkheden.
Je had er mensen van wie je kon houden.
Je had veel toneelspel en de glimpjes echtheid die je soms zag, betitelden de mensen als ‘ontroerend’ of ‘kunst’. Als iets ‘echt’ was, was dat een compliment waard, omdat het zo bijzonder en uitzonderlijk was.
Je had er ongemak, verstopt in ziektes, handicaps en stiltes.
Je had er schone schijn. Een groot risico om mensen pijn of verdriet te doen.
Doodgaan was er eng en verdrietig. Je had er verwarring en onbegrip. Er was de angst en de voortdurende drang om alles onder controle te hebben.
Je moest er dingen doen, ook al vond je ze stom en nutteloos.
Je had er gevechten tussen mensen, maar mensen vochten minstens zo hard tegen zichzelf.

En toch vond ik het er interessant en verbazingwekkend en angstaanjagend en ja, inderdaad hemels.
En ongelooflijk uitputtend.
Ik probeerde het te begrijpen, maar vond dat ik dat nooit genoeg geprobeerd had.
Ik wilde altijd meer.”

Ik wil nog altijd meer. Dieper duiken, begrijpen, opsnuiven. Ik vind het leven niet leuk en zeker geen feest. Ik vind het leven wel bloedstollend interessant. Ik wil altijd door in mijn speurtocht naar de zin. Als ik niet vooruit kom vind ik dat verschrikkelijk.
Maar ik sta eigenlijk nooit stil. Ik kan het lezen in al die dagboekfragmenten. Zelfs toen ik dacht dat alles in het honderd was gelopen. Er is niets wat mij meer hoop geeft dan dat.
Ik ben altijd in beweging.

“De identiteit van het doel is om getroffen te worden. De identiteit van de pijl is om het doel te treffen. Als je er vanuit gaat dat niet jij de boog op spanning brengt, maar dat de boog jou op spanning brengt, dan hoef je alleen maar mee te gaan in de aard der dingen.”

5 Comments

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

CommentLuv badge

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.