Red ik het op een bushalte zonder abri?

“Wat gebeurt er als we stoppen?”

“Vrij weinig.”

“En wat gebeurt er als we zo verdergaan?”

“Dan ben ik iedere maandag aan het verzinnen wat ik je op dinsdag kan vertellen.” Ze lacht. Ze weet dat ik een punt heb. “Ik doelde meer op: dan gebeurt er ook vrij weinig.” Ze vraagt me wat ik er zelf mee wil. Ik twijfel: helemaal stoppen met therapie lijkt me zo drastisch ineens. Kan ik dat wel? Als het goed is, zou het maar voor een paar weken zijn. Binnenkort word ik ergens anders opgenomen voor een vijf maanden durende, klinische behandeling. 

In de periode dat ik hier in behandeling ben, heb ik drie ambulant therapeuten gehad. Deze laatste, die ik nu heb, M., staat op een tweede plek in de top drie die ik van hen heb gemaakt. Nummer drie staat puur op nummer drie omdat er met drie gegadigden geen lagere plek bestaat en nummer één heeft buitenproportioneel veel voor mij en mijn crises gedaan en was sowieso de eerste therapeut in mijn leven bij wie ik me veilig genoeg voelde om eerlijk te zijn en niet alleen sociaal wenselijke antwoorden te geven.

Stel dat ik het helemaal niet kan vinden met mijn volgende behandelaars, krijg ik er dan spijt van als ik besluit nu mijn contact met M. (en mijn andere behandelaars, zoals mijn psychiater, hier) te stoppen? Moet ik die hypothese meenemen in de afweging die ik maak over deze kwestie? Eigenlijk heb ik hier niet meer zoveel te halen; mijn problematiek is te complex voor een plek die alleen eetstoornissen behandelt. Dat weet ik en dat weten zij ook, maar de te overbruggen tijd naar een volgende instantie was veel te lang om het zonder enige vorm van psychische hulp te doen. En aangezien ik hier toch al in behandeling was en zij mij ook hebben doorverwezen naar de volgende instantie, was het logisch om hen te benutten als overdekt bushokje in de tijd dat ik aan het wachten ben op de bus naar de kliniek. Red ik het ook op een bushalte zónder abri? Ook als het gaat regenen en de bus maar niet komt? 

“Ik weet het niet zo goed, ik voel er ook niet zoveel voor om alleen de crisisdienst nog als ggz-contactpersoon te hebben als er ineens wel weer wat aan de hand is. Jullie zijn toch net wat leuker en minder ingrijpend. Bovendien kan ik daar moeilijk naartoe bellen met de mededeling dat Mevrouw Nervosa relatieproblemen heeft met haar weegschaal. Dat zou raar zijn.” De stilte die M. hier laat vallen is een duidelijke ggz-stilte: eentje waarin ik de aangewezen persoon ben om ‘m te verbreken omdat ik zelf met een oplossing of inzicht dien te komen en dat niet aan mijn therapeut moet overlaten. Een stilte waarvan het de bedoeling is dat ‘ie in het teken staat van een vruchtbaar denkproces van míjn kant. “Ik denk dat ik misschien wil voorstellen om de frequentie hier gewoon wellicht een beetje omlaag te doen of zo.” Initiatief nemen is iets wat ik lastig vind, zeggen wat ik wil vind ik nog lastiger: zeer zeker en absoluut een therapieonderwerp.

Maar als ik mezelf hoor praten en me realiseer wat voor vrijblijvende zin ik zojuist heb gecreëerd, overtuig ik mezelf ervan dat M. dat heus niet doorheeft. Ik maak wel vaker gekke zinnen. “En wat is dan ‘wellicht een beetje of zo’?” vraagt ze me. Ja, hoor eens, kun jij dat niet gewoon bepalen, jij hebt hier toch voor gestudeerd? Mijn schaaleenheden zijn gewoonweg niet zo concreet, dat kan toch? Het zou toch wat zijn als ik ineens zelf regie ga nemen over de hulp die ik krijg, ha. “Gewoon, wat minder dan wat we nu doen…” Nog een ggz-stilte. “Eens in de drie weken of zo?” mompel ik. Een concreter voorstel dan dit gaat er niet komen en dat weet M. ook: “Ja, daar zat ik ook aan te denken inderdaad.” Yes, ik heb het goeie antwoord gegeven! Dit is dus wat ze van me wilde horen: eens in de drie weken. Score. 10/10. 100%. Vlag en wimpel. Summa cum laude. Niks meer aan doen. 

Dus nu sta ik op een bushalte zonder abri, maar met paraplu. Te wachten totdat de bus naar mijn klinische behandeling voor komt rijden en ik in kan stappen. Ik vind het spannend: wat als het gaat stormen? Houd ik me dan wel staande? Had ik beter een stormparaplu kunnen kiezen en eens in de twee weken moeten voorstellen? Stel dat er een vrachtwagen langskomt die heel hard door een regenplas rijdt en dat ik me dan hopeloos probeer te verdedigen met een paraplu? Dat wordt toch niks? 

Mijn gedachten roep ik, zonder dat ik het zelf direct door heb, een halt toe. Die eens in de drie weken is míjn keuze. Het feit dat ik zelf heb aangegeven dat ik niet zo goed weet wat ik met deze frequentie aan eetstoornistherapiesessies moet, geeft aan dat er in de afgelopen maanden iets veranderd is: ik ben (wat) stabiel(er). Ik ben nog lang niet hersteld, van mijn eetstoornis niet, van de rest niet en zonder hulp ben ik vermoedelijk zeer gauw terug bij af, maar blijkbaar voel ik me oké genoeg en heb ik het idee dat ik genoeg handvatten heb om de komende paar weken wat meer op eigen benen te staan. Dat is best een mooie ontwikkeling. 

En mocht de hardrijdende vrachtwagen toch langskomen, kan ik M. altijd bellen dat die enkele paraplu toch te weinig bescherming biedt. Dan komt ze alsnog de abri herbouwen.

Lees ook:

  • eat 2330850 960 720

    Honger: Trek. Zin in eten. Behoefte. Eetlust. Verlangen. Wikipedia heeft het over een biologisch signaal van je lijf dat er een glucosedaling in de lever is. Veel mensen denken niet over honger na. Ze voelen de behoefte, lopen naar de…