Piranha’s in de supermarkt

Ik heb supermarkten nooit een heel vervelende plek gevonden. Ik weet dat dat voor veel van mijn mede-eetgestoorden wel geldt, maar ik vind supermarkten fijn. Lekker door de paadjes en de gangetjes met je lijstje en je mandje, en dan naar huis met alles wat je zorgvuldig uitgezocht hebt. Dat lijstje is wel essentieel, anders gaat alles mis. Maar zolang ik mijn papiertje heb, komen we er wel. Vroeger, toen vond ik supermarkten wel moeilijk, toen ik depressief was. Het dieptepunt was die keer dat ik tegenover de kipfilet een gigantische huilbui kreeg, omdat ik niet genoeg energie meer had om te weten wat ik wilde. Mijn vriendin heeft me de winkel uit moeten helpen. Maar dat was verleden tijd. Dacht ik.

Ik was deze week een dagje met mijn beste vriendin in Amsterdam. We gingen hummus-hotspot ‘Sir Hummus’ met een bezoekje vereren. In het zomerzonnetje aten we een bord warme, verse hummus (wie dat nog nooit gegeten heeft, weet niet wat hij mist!) met allerlei toppings, groente en pita’s erbij. Daarna wandelden we nog wat door de Pijp, gingen wat drinken en kochten een jurk. Er was geen vuiltje aan de lucht. Ik wist dat ik in de trein naar huis zat rond etenstijd en had ook al besloten wat dat dan zou zijn: van die sushi van de AH To go. Paste keurig in mijn planning. Dus toen we op Amsterdam Zuid aankwamen, zei ik ‘Oh, ik moet nog even wat halen, momentje!’ in de verwachting dat het niet meer dan een momentje zou zijn. Doosje pakken, afrekenen, klaar.

Behalve als het doosje er niet staat.

Ik kijk twee keer, drie keer, zes keer. Het is er niet. Kleine moeite, zou je zeggen. In de AH is genoeg te vinden wat ook eetbaar en gezond is. Toch? Zeker, maar niet voor mijn krokodillenbrein. Dat raakt in paniek. Wat nu? Een broodje? Een salade? Misschien een van die bakjes met couscous en hummus, dat past lekker bij vanmiddag. Maar iedere suggestie die ik opwerp, krijgt van mijn brein een rood lampje. Ik durf het niet. Ineens is alles weer eng. Alsof er piranha’s naar mijn vingertoppen happen zodra ik mijn hand naar een schap uitsteek.

Mijn beste vriendin kijkt toe hoe ik diverse rondjes door de Albert Heijn loop, langs alle schapjes met godverdomde kutkeuzes die ik allemaal niet wil maar wel moet maar ik wil niet maar ik moet wel eten maar wat dan ik kan het niet ik kan dit niet HELP. In paniek koop ik uiteindelijk een bak aardbeien (en als ik in de trein zit, krijg ik van mezelf op mijn flikker want in welk werelddeel is een bak aardbeien een verantwoorde avondmaaltijd?). We lopen naar de trein, mijn beste vriendin en ik, en praten over wat er net gebeurd is. Dat kunnen we wel heel goed, erover praten. We zijn ook heel goed in grapjes erover maken maar dat wil ik nu even niet. Ik ben namelijk nogal van mezelf geschrokken.

Ja, ik heb een eetstoornis. Al elf jaar. En die is nog niet onder controle. Maar dat hij nog zó in de weg zit, vergeet ik steeds tot ik er weer met driehonderd kilometer per uur tegenaan bots. Wat moet ik hier nu mee? Ik heb door omstandigheden ongeveer een half jaar hulp gehad voor mijn eetstoornis. Hetzelfde halfjaar waarin ik aftakelde tot diepe depressie, opgenomen werd en vervolgens in een wervelwind terecht kwam die mijn hele leven veranderde. Toen ben ik ook gestopt op de eetstoornisafdeling, want alles ging fantastisch met me. Ook het eten. Dat was geen leugen, dat was echt. Maar toen het stof weer was gaan liggen, keek ik om me heen in mijn leven en zag: mijn zelfbeeld mag dan nu wel op en top zijn, die eetstoornis zit nog gewoon lekker waar hij zit.

Maar wat nu dan? Hulp? Weer een zorgtraject in? Ik wil niet. Ik ben nu een jaar uit de GGZ en het liefst keek ik nooit meer om. Maar als ik niet omkijk, haalt het me allemaal midden in de Albert Heijn in en ik weet nog heel goed hoe dat af kan lopen. Dus ik zit met mijn handen in mijn haar.

 

8 Comments

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

CommentLuv badge

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.