Onzichtbaar in chaos

Onzichtbaar in chaos

Er is chaos, heel veel chaos, en ik voel me compleet onzichtbaar. Dat is iets wat zich al maanden aan het opstapelen is, maar afgelopen week tot een uitbarsting is gekomen. Vanavond vertelde ik voor de zoveelste keer gefrustreerd aan een vriendin: “Ik heb ook altijd de verkeerde stoornissen!”. Het begon al bij mijn eetstoornis, die was onzichtbaar. Ik heb al die jaren een gezond gewicht gehad en kon grotendeels meekomen met sociale gelegenheden. Niemand hoefde te weten dat het toilet mijn beste kameraad was en het was niet te zien hoe slecht het met me ging. Inmiddels durf ik het wel een rode lijn in mijn leven te noemen, of in ieder geval een rode lijn in mijn ervaringen met hulpverlening. Ik ben niet in crisis, ik doe geen gevaarlijke dingen, ik schreeuw niet letterlijk om hulp.

Ik verstil.

Inmiddels weet ik dat ik wel degelijk in crisis kan zitten, het is alleen nauwelijks merkbaar voor de wereld om me heen. Inmiddels probeer ik alweer weken aan allerlei bellen te trekken: het gaat niet! Maar het moet gaan, want ik ben toch zo verstandig? Afgelopen zomer heb ik moeten smeken om een crisisopname (die me in eerste instantie geweigerd werd omdát ik aangaf dat ik een opname nodig had) en heb ik bergen moeten verzetten om toch de hulp te krijgen die ik nodig had. De hulp waarvan ik wist dat ik die nodig had.

Hoe vraag om je om hulp als een verstandige en rationele hulpvraag wordt geïnterpreteerd als “oh, het gaat nog best oké”? Dat is een vraag waar ik keer op keer mee worstel; ik heb het antwoord nog niet gevonden. Zolang je het goed onder woorden kunt brengen, is het nog wel veilig, lijkt het. Maar dat ís helemaal niet zo. Ik heb geprobeerd me naar buiten te richten, maar dat is niet wie ik ben, niet hoe ik ben. Ik zit in alle rust tegenover je als ik je vertel dat ik er helemaal compleet volledig doorheen zit. Ergens begrijp ik dat het moeilijk is om daar doorheen te prikken en mijn wanhoop te zien, mijn hulpvraag te geloven.

Ligt het aan mijn manier van communiceren? Als iemand glimlachend (van schaamte en ongemakkelijkheid) aan je vertelt dat het slecht gaat, dan komt de boodschap niet over. Blijkbaar gaat het nog best oké, er zijn geen paniekaanvallen of huilbuien. Er is geen suïcidaliteit of uitwendige chaos. Ik zou willen dat ik alle hulpverleners kon vertellen: maar er zijn ook anderen! De stille, de teruggetrokken, de verbaal sterke cliënten. De “ja, op zich red ik het nog wel, als het moet”-cliënten. De “nee, ik doe mezelf niets aan, maar dit trek ik ook niet meer” en “ik wil niet lastig zijn”-cliënten. Het is een wankele balans: het is niet de bedoeling om bij iedere uitspraak in de stress te schieten, maar ikzelf heb me keer op keer (op keer op keer) ongezien gevoeld.

Deels zit de “ik word niet gezien”-overtuiging simpelweg heel diep in mijn hoofd, dat staat volledig los van hulpverleners. Maar het is me te vaak gebeurd dat ik ergens werd aangemeld voor een serieuze behandeling, om vervolgens eens per twee weken in een groep te worden gedumpt. Omdat ik nog zo goed functioneerde. Omdat ik er zo goed uitzag. Omdat ik mijn hulpvraag zo goed kon verwoorden. Omdat, omdat, omdat… Omdat ik onzichtbaar ben.

Deze ervaringen zijn de beste voeding voor mijn dissociatie. Ik ben onzichtbaar. Of ik participeer in de wereld, maakt niet uit: alles gaat wel door. Vervolgens gaan we een stapje verder: bestaat de wereld wel? Is alles wel echt? Is dit mijn lijf? En voor ik het weet lig ik dag na dag in bed vol angst naar mijn handen te turen: zijn dit mijn handen? Waarom bewegen ze? Ik mail, ik bel heen en weer met de huisarts, hobbel op en neer naar de apotheek. Maar ik red het wel, want ik ben ik en onkruid vergaat niet. En toch ga ik met mijn verstandige kop morgen weer naar de huisarts: “het gaat niet zo, de chaos is te groot”.