Niet praten is ook spannend

“Niet praten is ook spannend.” Dat is wat ik afgelopen week zei aan het einde van weer een intensieve groepstherapiesessie. Bijna een jaar geleden startte ik met m’n huidige therapie. Eerdere behandelingen waren vooral gericht op symptoombestrijding; zo volgde ik een kort traject voor mijn eetstoornis, EMDR-therapie en jarenlange een-op-een psychotherapie, waarin ik het vooral had over waar ik nu tegenaan liep en hoe ik daar het beste mee om kon gaan.

In mijn jeugd heb ik geleerd dat ik alles zelf moet kunnen en ik ben bovendien een enorme streber, wat ook duidelijk zichtbaar is in de manier waarop ik mijn therapieën aanga. Ik maak braaf mijn huiswerk, ben altijd aanwezig en denk constant na wat ik zélf kan doen om mezelf verder te helpen. Ondertussen noemde ik enkele keren wel de trauma’s uit mijn jeugd, maar zorgde ik er verder voor dat we absoluut niet de diepte in zouden gaan. De echte pijn en ellende, daar wilde ik het vooral níet over hebben.

Jarenlang hobbelde ik zo verder door de ggz, totdat het duidelijk werd dat mijn somberheid en stemmingswisselingen behoorlijk hardnekkig waren en dat ik daar op deze manier niet zomaar vanaf zou komen. Na een intensieve periode van onderzoeken, intakes en wachtlijsten, startte ik aan mijn huidige groepsbehandeling. Het werd al gauw duidelijk dat ik dit keer niet onder de radar zou kunnen blijven en dat ik toch echt meer over mezelf moest gaan delen. Mijn groepsgenoten vertelden al snel meer over hun jeugd en hun persoonlijke leven en na de eerste paar sessies kwam ik niet meer weg met ouwehoeren over koetjes en kalfjes, dus trok ik me terug in mijn eigen wereld en begon ik met zwijgen. Ik werkte ook in deze therapie natuurlijk wel weer keihard aan mezelf: ik luisterde aandachtig naar de anderen, dacht voortdurend na over wat ze vertelden en hoe dat op mijn verhaal van toepassing was, en schreef thuis dagboeken vol. Maar praten deed ik niet.

Door de verhalen van de anderen en het constante nadenken kwam er veel terug van vroeger, maar het lukte me niet om het erover te hebben. Ik kwam terecht in een neerwaartse spiraal, dacht meer na over de dood, begon weer te rommelen met eten en wilde mezelf voor het eerst in jaren weer pijn gaan doen. Ik was ontzettend eenzaam, ging kapot van binnen en was bovendien zo verschrikkelijk teleurgesteld in mezelf. Ik moest dit toch gewoon kunnen? De anderen lukte het toch ook om open te zijn en zich kwetsbaar op te stellen?

Na veel wikken en wegen besloot ik mijn groepsgenoten uit te leggen waarom ik over mijn pijn was gaan zwijgen, dat mijn vertrouwen te vaak geschaad was, dat mensen misbruik van me hadden gemaakt en dat ik geleerd had dat je niet op anderen kon rekenen. Mijn groepsgenoten reageerden vol begrip en beetje bij beetje liet ik mijn schild zakken. De muur die ik al die jaren om mezelf heen gebouwd had, brokkelde langzaam af. Ik vertelde steeds een klein beetje meer en leerde niet alleen mijn groepsgenoten, maar ook mijn vriendinnen meer en meer te vertrouwen. Ze luisterden geduldig, oordeelden niet en probeerden me verder te helpen. Misschien kon ik toch voorzichtig een beetje op mensen gaan leunen…

In de laatste therapiesessie was ik er dan eindelijk klaar voor: ik vertelde over de dingen die de jongere ik allemaal heeft meegemaakt, hoe vreselijk machteloos ik me heb gevoeld en hoe bang ik nog altijd door het leven ga. Mijn angst om te delen bleek onterecht: ik werd serieus genomen, ik werd geloofd en ik werd begrepen. Die reactie kende ik nog niet van mensen en ik leer nu dat het me ook heel veel kan brengen door meer over mezelf te vertellen, dat anderen best wel om me geven en me kunnen en willen helpen. Ik had niet gedacht dat ik me ooit weer zo kwetsbaar zou kunnen opstellen en ben ontzettend trots op mezelf.

Een van mijn therapeuten blikte aan het eind van de sessie nog even terug op die keer dat ik vertelde waarom ik zo wantrouwig was geworden. Ze zei: “Nu wordt het spannend”.

Maar het er niet over hebben, dát is ook spannend.

Lees ook: