Mijn lievelingsvijand

Waarschuwing: de onderstaande tekst gaat onverbloemd over overgeven en dat kan triggeren. Stay safe!

Ik was een jaar of dertien toen ik voor het eerst mijn vinger in mijn keel stak. Ik weet het niet precies meer. Hoe ik erop kwam, weet ik ook niet. Ik zal het wel ergens uit een tijdschrift opgepikt hebben. Hoe dan ook, ik deed het en het verbaasde me hoe gemakkelijk het was. En hoe fijn het voelde. Van opgeblazen vol ga je naar opgeluchte ontspanning door één simpele stap. Je fout is goedgemaakt en je kunt door met je leven.

Nu, op mijn vierentwintigste, heb ik het proces geperfectioneerd. Ik weet hoe ik het het best kan doen, hoeveel ik ongeveer moet drinken om er een aangenaam zachte brij van te maken in plaats van een geheel van harde brokken óf juist alleen maar vocht en te weinig echte etensresten, hoe ik ervoor kan zorgen dat het nauwelijks geluid maakt en wat de handigste houding is. Het is niet moeilijker voor me dan op de knop van de Wii drukken en wachten tot het schijfje er zoemend uitkomt. En ook niet viezer.

Dat klopt: ik vind overgeven niet vies. Dat wil zeggen, het overgeven dat ik mezelf laat doen. Als ik over mijn nek ga omdat ik ziek ben, is het afschuwelijk. Dan doet het pijn, dan is het vies, dan moet ik ervan janken. Maar niet wanneer ik het zelf doe. Dan is het een van de fijnste dingen die ik me voor kan stellen. Het gevoel van de tegels onder mijn blote knieën, hoe ik met één hand mijn haar in mijn nek bij elkaar hou en de andere diep in mijn mond steek. Druppels kwijl druipen over mijn vingers en ik voel dat mijn ogen waterig worden, maar als ik nog heel even doorzet, is daar de verlossing. Een paar zurige golven en hop. De sterretjes die op mijn netvlies dansen als ik opsta. Hand afpoetsen, neus snuiten, ogen droog vegen en doortrekken. Klaar.

Alles wat ermee verbonden is, haat ik. Maar het overgeven zelf, dat is als een knuffeldekentje. Ik kan er altijd op terugvallen als ik teveel heb gegeten, of gewoon als ik boos of verdrietig ben, mezelf stom vind of om één van de duizend andere redenen die ik kan vinden om te kotsen. Er is altijd een reden om te kotsen. Jarenlang was het de enige manier die ik kende om te ontspannen. Alleen als ik net had gekotst voelde ik me helemaal rustig. Dus toen deed ik het zo’n dertig tot vijftig keer per week. Je moet wat als je hoofd de hele tijd alle kanten op tolt.

Nu is dat niet meer zo. Ik weet een heleboel manieren om te ontspannen. Maar ik kan het niet laten. Het is mijn allerliefste vijand en ik weet dat als ik stop, ik het voor de rest van mijn dagen ga missen.

Lees ook: