Ik wil de perfecte student zijn

In groep 3 van de basisschool nam ik mij al voor om er nooit uitgestuurd te worden. Als de juf toch eens kwaad op me werd, stonden de tranen in mijn ogen. Ik nam me honderd keer voor een beter, braver kind te zijn. Dat mislukte natuurlijk faliekant, maar het verlangen ernaar was sterk. Als ik fouten maakte in mijn schrift moest alles doorgekrast, was mijn tekening lelijk in mijn ogen dan kroop ik onder de tafel, maakte ik een toets dan moest ik alles drie keer herberekenen. Ik kan me nog steeds de trots herinneren toen ik een foutloze verkeerstoets maakte, of die keer dat ik 80 van de 80 goed had op een spellingtoets. Zelfs die keer dat ik als kind van vier de enige van de klas was die een bepaald knutselwerkje had afgekregen, was ik zo trots dat ik het me nog feilloos kan herinneren.

In de onderbouw van de middelbare school was ik zo’n meisje dat altijd negens en tienen haalde. Als er iemand een keer een hoger cijfer haalde dan ik, wilde diegene eigenlijk mijn toets mee naar huis te nemen om boven zijn bed op te hangen. Beter zijn dan Rivka, het leek een hele prestatie.

Ondanks het feit dat het leuk en handig is als je goed kunt leren, genoot ik er niet echt van. Ik was vooral doodsbang om van dat voetstuk af te vallen. Als ik één keer een lager cijfer zou halen, zouden ze denken dat ik dom was. Dat leek me echt heel erg. Zo erg, dat ik gigantische paniekaanvallen kreeg als ik vond dat ik niet goed genoeg had geleerd. Falen leek desastreus.

In de derde klas had ik zelf al door dat het niet meer ging zo. Ik ging op gesprek bij mijn mentor, op wie ik ook een beetje verliefd was. Ik vertelde haar over mijn angst dat de docenten me niet meer slim zouden vinden als ik een keer een wat lager cijfer zou halen. Ze stelde me natuurlijk gerust, ‘Rivka, alle docenten weten allang dat je intelligent bent, een keertje een lager cijfer doet daar niks aan af.’ Bevestiging krijgen van iemand op wie ik heimelijk verliefd was, verrichtte op dat moment wonderen. Ineens kon ik het een beetje loslaten.

Aan het einde van dat jaar mocht ik een profiel kiezen. Ik had voor alle vakken een positieve beoordeling gekregen en de wereld der vakkenpakketten lag voor me open. Ik kon kiezen wat ik maar wilde. Wat ik echt wilde, was de bevestiging dat ik goed genoeg was. Daarom koos ik het vakkenpakket met het meeste ‘aanzien’, Natuur & Gezondheid/ Natuur & Techniek. Iets wat ik achteraf, als echte alfa, onbegrijpelijk vind. Had talen gekozen, meisje, had drama gekozen, filosofie, geschiedenis… Wat deed je jezelf aan?

Dat merkte ik pas de jaren daarna. Tot de derde leek ik de perfecte bèta, maar in feite was ik gewoon een enorm goede ‘kennisstamper’. Aan echt inzicht in de natuurwetenschappen ontbrak het mij. In de jaren erna zakte ik langzaam af richting de zesjesmentaliteit. Iedereen was vergeten dat ik ooit dat irritant slimme kind was in de klas dat je altijd wilde overtreffen. Ik vond de vakken vervelend en ik bracht de schooldagen dagdromend door. Ik had elke dag spijt van mijn keuze voor dit profiel.

Richting het eindexamen stond ik er vrij belabberd voor. Een goed studieplan zou mij door de examens moeten slepen. Vriend Faalangst stak inmiddels weer de kop op. Ik wilde van die verrekte school af, waar ik inmiddels alles haatte. De toekomst scheen mij een walhalla van vrijheid en eigen keuzes toe. Maar eerst nog die verrekte examenweken…

Gedurende die twee weken had ik elke avond paniekaanvallen. Keihard gesmoord huilen en daarna uitgeput in slaap vallen. Het gevoel hebben dat je nog liever doodgaat dan naar dat wiskunde-examen gaan. Toch gaan. En… Het wonder boven wonder halen. Ik was geslaagd. Ik was vrij. Maar blij?

Nee, dat was ik niet. Waar iedereen zich uitbundig van vreugde stortte op de afscheidsbarbecue, voelde ik me alleen maar leeg. Eigenlijk een gebrek aan alles, geen emoties, geen energie, geen opluchting; er was gewoon niks. Dat licht aan het einde van de tunnel die middelbare school heette bleef uit.

Inmiddels zijn we 6 jaar verder, en enorm veel geworstel met een vervolgstudie en mezelf. Ik kan eindelijk zeggen dat ik na al het gedoe van de afgelopen jaren weer redelijk stevig op mijn pootjes sta. Stevig genoeg om weer met een studie te starten. Maar als een boemerang die steeds weer bij me terugkomt is daar weer die verrekte faalangst en dat intense verlangen om vooral de perfecte student te zijn.

Waar komt die drang naar perfectie toch vandaan? Ik houd juist van rauw, ik voel er helemaal niet voor om de ideale student te zijn. Toch wíl ik het zijn. Ik let even niet op en ik zit weer in een soort hyperfocus de literatuur door te spitten, waarna ik lijkbleek ben en de rest van de dag niks meer kan omdat ik veel te hard mijn best doe. Ik ben echt als de dood. Maar waarvoor?

Alles in mij schreeuwt dat ik niet wil. Ik wil die arena die school heet niet meer in, met al die ogen die naar me kijken en iets van me kunnen vinden, met die rode pennen die mijn werk na gaan kijken en mijn kennis gaan beoordelen. Ik wil niet.

Maar ik leer zo graag. Ik houd van nieuwe info, ik houd van het voelen prikkelen van mijn hersenen onder onbekende stof. Dus probeer ik het toch maar weer, voor de zoveelste keer, haast tegen beter weten in: Gewoon studeren, lekker leren, omdat het fijn is en niet omdat er iets te bewijzen valt. Eindelijk geloven dat mijn waarde niet valt of staat bij een goed cijfer of een klinkend diploma.

3 Comments

  1. Oh wat is dit herkenbaar op veel vlakken. ook vooral heeft het zich bij mij geuit op de basisschool en middelbare school. Nu ben ik alles behalve die perfecte leerling.. Leren gaat me niet meer zo makkelijk af als voorheen. Ik heb bewondering voor jou dat je dit zo goed en duidelijk hebt kunnen verwoorden, maar echt jij bent de perfecte jij. x

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

CommentLuv badge

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.