Ik kan en wil je niet aankijken

“Je kijkt me niet aan en je maakt de bewuste keuze om dat niet te doen. Kijk me aan als we een gesprek voeren,” zegt een therapeut tegen me. Ik heb net creatieve therapie gehad en tijdens de groepsopdracht lukte het me best goed om de therapeut aan te kijken en was ik opgewekt, maar nu, tijdens het nabespreek rondje, wil het niet. Ik kijk naar mijn handen en hoor zijn woorden. “Oké,” zeg ik terug, en ik dwing mezelf hem aan te kijken. Of als dat niet lukt, dwing ik mezelf naar zijn neus te kijken, naar de bril in zijn haar, of naar een a4’tje aan de muur direct achter hem. Het gaat niet automatisch. De hele ochtend moet ik mezelf het blijven herinneren: hij wil dat ik hem aankijk, hij wil dat ik hem aankijk, hij wil dat ik hem aankijk.

Ik heb in het moment zelf niet zozeer door dat het pijnlijk voor me is om te horen dat ik iemand, een hulpverlener die ik waardeer en vertrouw zelfs, moet aankijken. Ja, ik voel enige schaamte omdat ik een call out krijg met mijn groepsgenoten erbij, maar ik voel geen verdriet, dat komt pas later. Als ik thuiskom, doet het zeer. Ik voel me eenzaam en onverbonden met de rest van de wereld.

Het doet me denken aan vroeger, toen ik nog geen flauw idee had dat ik autistisch ben. Basisschool, middelbare school. Ik herinnerde mezelf er vaak aan dat het sociaal geaccepteerd is om mensen aan te kijken. Ik leerde wat ik moest doen om over te komen als een neurotypisch persoon, als een ‘normaal’ persoon, dacht ik destijds. Het was een flinke lijst aan aanpassingen: precies genoeg aankijken, niet constant doorpraten over mijn specifieke interesses, het opmerken als er een stilte valt waarin het gepast is om te praten, niet door mensen heen praten, vragen stellen over wat diegene net heeft gezegd, niet te veel met mijn handen friemelen, niet te veel met mijn benen bewegen, niet te vriendelijk worden met de docenten, lachen als de andere mensen lachen. Als ik dat niet deed, was ik degene waarover mijn klasgenoten moesten lachen. Als ik dat niet deed, kreeg ik te horen dat ik vreemd of te verlegen was.

Het constante opletten, bijsturen en aanpassen was vermoeiend en zorgde voor depressies. Maar wat uiteindelijk nog moeilijker was: ik leerde dat ik niet mezelf kon zijn en raakte een deel van wie ik ben kwijt. Dat laatste is wat ik uiteindelijk hoor in de opmerking van de therapeut: het is niet oké hoe jij bent, wees anders, wees meer neurotypisch, kijk me nou eens aan. Ik denk niet dat hij het daadwerkelijk zo hard bedoelt, maar het raakt aan die oude pijn. Ik kan en wil je niet aankijken. Dat is deel van wie ik ben en zou niet uit moeten maken. Dat een therapeut het toch van me vraagt, maakt me sip.

Eenmaal thuis, enorm ontdaan, zoek ik steun bij mijn vrienden, waaronder andere vrouwen met autisme. Ze zijn boos over de opmerking en dat doet me goed. Vroeger is niet nu. Ik voel me verbonden. Ik heb vrienden bij wie ik zo autistisch kan zijn als ik maar wil. Mijn vrienden zeggen niet tegen me dat ik ze moet aankijken en laten me ratelen over mijn obsessies voor waterverf, bekende chefs en mijn kat. En ik ken anderen die zijn zoals ik: autistisch en geweldig op de manier waarop ze zo zichzelf zijn.

Lees ook:

  • Hoe ging dat vroeger thuis?

    Al een tijd nu ben ik in therapie bij een psychotherapeut, we praten over veel verschillende onderwerpen. Situaties die ik moeilijk vind, gedachtes die constant in mijn hoofd rondspoken en herinneringen aan vroeger. Een onderwerp dat steeds terugkomt is thuis.…

Kijk voor tips om om te gaan met psychische klachten ook eens op psyche.tips

lees meer