Ik heb geen trauma, wel een nieuw nachtlampje

Zoals ik in mijn eerdere blogs schreef, heb ik – durf ik dit zwart op wit te zetten zonder het te ontkrachten? – een dissociatieve stoornis. Een dissociatieve stoornis komt voort uit trauma, dissociatieve identiteitsstoornis (DIS) en dissociatieve identiteitsstoornis niet anders omschreven (DS NAO) komen voort uit trauma dat heeft plaatsgevonden voor het (uiterlijk) achtste levensjaar. En dat is waar ik standaard vastloop. Ik heb geen trauma’s, en al helemaal niet van toen ik zo jong was. Toch?

Afgelopen sessie belandde ik met mijn therapeut in deze discussie. Het was pas de derde keer dat ik haar zag, maar ik heb nu al door dat ze ontzettend bekwaam is en héél veel weet over dissociatie en de bijbehorende stoornissen. Ze vertelde over trauma, wat we allemaal weten maar wat in de praktijk zo lastig blijft: het gaat niet om ‘erg, erger, ergst’. Het heeft geen zin om het leven van de één te vergelijken met het leven van de ander. Als het zo zou werken, zou maar één iemand op de hele wereld problemen mogen hebben, namelijk degene waarvan na een democratisch proces wordt besloten dat die het zwaarste leven heeft gehad. Het gekke is dat ik deze ideeën alleen op mezelf toepas – bij anderen zie ik de ernst en zwaarte van dingen maar al te goed in, maar bij mezelf? Toch niet.

Bij mezelf – niet bij anderen! – dacht ik altijd dat het trauma fysiek en intentioneel moest zijn. Beide elementen ontbreken bij mij, voor zover ik weet: niemand heeft mij ooit moedwillig kwaad willen doen en er is me nooit fysiek iets aangedaan, op wat voor manier dan ook. Dus is er maar één conclusie mogelijk: ik kan geen DS NAO hebben, ik ben een bedrieger, ik verzin alles.

Totdat ik met een klein stemmetje aan mijn therapeut vroeg: “Kan het ook van heel, heel vroeger komen? Dat je echt nog super jong bent?” Mijn therapeut legde uit dat het juist op dat moment mis kan gaan: baby’s kunnen immers niets. Ze kunnen niet praten, ze kunnen niet weggaan, ze kunnen niet om hulp vragen. Het enige wat baby’s heel goed kunnen in geval van nood, is dissociëren. Op die manier had ik er nog nóóit over nagedacht, en voorzichtig begon ik mijn verhaal.

Er is nogal wat mis gegaan rond mijn geboorte. Of kan ik zeggen: onze geboorte? Ik ben namelijk ontzettend veel te vroeg geboren, samen met mijn tweelingzusje. Het schrijnende verschil is dat ik er na al die jaren nog ben, terwijl zij het net een paar weken heeft gered. Ik heb het ook maar net gered, maar na bijna twee maanden in het ziekenhuis mocht ik uiteindelijk naar huis. Ik heb het hier al zo vaak over gehad in therapie, maar op de één of andere manier voelde het anders, deze keer in therapie. Op rationeel niveau zag ik in hoe ontzettend veel er mis is gegaan qua hechting. Rouwende ouders, een steriele ziekenhuisomgeving, van twee-eenheid in de baarmoeder naar alleenzaam in een couveuse, machines, operaties, een lichaampje vol problemen.

Toen floepte er een ander deel naar voren, wat mijn therapeute gelukkig vrijwel direct doorhad. Ik kende dit deel al wel, en mijn therapeute ook. Dit deel is ongeveer zes en eigenlijk altijd intens bang en verdrietig. Ze vertelde hoe graag ze altijd goed wilde zijn, maar dat het dode zusje altijd belangrijker leek. Ze vertelde dat er ‘in het hoofd ook een baby is’. Achteraf zei mijn therapeut dat het haar totaal niet verbaast dat er een baby-deel is, zeker niet na wat ik allemaal had verteld. Ze gaf me in andere woorden terug wat ik haar verteld had, waardoor ik het ineens in een ander licht zag. Eigenlijk best wel zielig. Of stel ik me dan aan?

Er is me niets aangedaan.
Niemand heeft me opzettelijk beschadigd.
Het enige wat er is gebeurd, is dat ik ben geboren en per ongeluk bleef leven.

En nu? Ik weet het niet zo goed. Ik voel me gezien en serieus genomen, maar tegelijkertijd ben ik bang dat dit simpelweg een nieuwe kronkel is van mijn bedriegende brein, dat ik nog altijd een aansteller ben. Dat ik dit helemaal niet heb, dat ik het verzin. Maar anderzijds: ik heb voldoende gelezen over hechting om te weten hoeveel daar mis kan gaan. Mijn therapeut nam het woord hechtingstrauma in de mond en ik lachte haar uit. Ze raadde me aan er eens wat over op te zoeken, maar dat heb ik nog niet aangedurfd. Ik weet niet wat ik ermee moet, maar ik zoek het nog wel uit.

Deze therapeut geeft me vertrouwen en daar probeer ik aan vast te houden. En ondertussen, of ze nou bestaan of niet: toch maar lief zijn voor de bende in m’n kop. Ik heb gisteren als troost een nachtlampje in de vorm van een dino gekocht. Sindsdien huppelt er een dolgelukkige vierjarige rond in mijn hoofd… Ik kan het nog zo ingewikkeld en schaamtevol vinden, maar er is in ieder geval één iemand blij!

Ook zin gekregen om te schrijven? Stuur een blog in naar dsmmeisjes!