Hondenbeet

Het is weer volledig en duidelijk aanwezig; de hondenbeet. Ik moet er iets mee. Anderen helpen? Benadrukken dat trauma direct psychische hulp nodig heeft? Dat je niet kunt weten hoe een kind denkt? Mijn verhaal opschrijven?

Ik doe het gelijk maar. Of het allemaal correct is weet ik niet, maar zo herinner ik het me van toen ik 4,5 jaar jong was. Ik speelde bij een leeftijdsgenootje. Er was nog een jongen bij. Ze hadden daar thuis een soort zitkuil. Achter de bank stond de legotafel. Er was wat ruzie. Ik zocht rust en liep bij de jongens weg. Naast de salontafel lag een rood-blonde Chow Chow. Haar vacht was betoverend zacht en had dezelfde kleur als onze Mechelaar. Een baken van veiligheid voor mij.

Ik liep om de bank heen en knielde bij haar neer. Heel voorzichtig aaide ik over de prachtige vacht. Gegrom, zwart, rood, kaak, vlees, bloederige geur, verschrikking. Gegil op de achtergrond, foute boel. Ik val weg. Iemand pakt me op, de oppas. Ze wil me op de grond zetten. Ik word hysterisch (geen idee of dit klopt of deze herinnering gecreëerd is door latere paniekaanvallen). Ik moet normaal doen, zegt iemand. Ik word op de bar gezet, gillende jongens, paniek. Ze worden tot rust gemaand en krijgen snoep. Ze maakt een washandje voor mij nat. Hond in de bench. Ik word op de bank gezet, ze gaat bellen. Ik wacht op mama. Washandje op mijn wang. Mijn knieën opgetrokken. De jongens kijken mij vreemd aan. Zwart gat.

We zitten in de taxi naar het ziekenhuis. Zwarte taxi, beige leren bekleding. Ik zit tussen mama en de eigenaresse van de hond. Washandje op mijn wang. Ik wist het. Ik wist dat het niet goed was op het moment dat ik mijn hand op de vacht legde. En nu heb ik mijn mama pijn gedaan. In het ziekenhuis weet ik zo weinig, alleen maar dat het veilig voelde in de kamer. Ik weet dat ik samen met de zuster in de spiegel heb gekeken en verband om had. Het beeld van mezelf deed me goed, het even echt zien. Een ander beeld. Iets anders dan die zweem van bloedlucht en zwartheid. Ik was er nog! Ik weet dat ik in paniek schoot toen ze met een belachelijk dikke spuit kwamen. Ik wilde niet meer, maar hij moest in het infuus. Paniek om niks. Een beetje uitleg was fijn geweest. Domme dokter!

De buitenwereld voelde niet veilig later. Overal dieren, overal gevaar. Ik vertrouwde mijn eigen oordeel niet meer. Ik had paniekaanvallen, terwijl ik wist dat het niet echt gevaarlijk was. PTSS, bleek achteraf, maar dat ontdekten ze toen nog maar net bij soldaten. Later kreeg ik hoofdpijn i.p.v. angst. De angst had ik leren negeren. Ik kon het niet voelen, het was te veel. Nóg later kreeg ik last van verlatingsangst, PMS en andere onverklaarbare zooi. Om er bijna 30 jaar later achter te komen dat ik iets onmogelijks heb geprobeerd te verstoppen, ontkennen en vergeten.

En nu, nu moet het echt naar buiten. Geen verwijten, alleen pijn en verdriet. Ook om haar, want zij kreeg een spuitje. “Dag, prachtige vacht. Hallo, allesvernietigende angst”

2 Comments

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

CommentLuv badge

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.