Stiller worden nare jeugdherinneringen

Het stiller worden

Ik zal mijn moeder afvallen, elke keer dat ik gevoelens toon.

Tot ik ooit een keer zal schreeuwen. Ik zou zo hard gaan schreeuwen dat iedereen uit elkaar spat zodat ze ontdekken dat ze niet alleen zijn. Niet alleen waren en nooit alleen zullen zijn.
Want ik ben er ook.

‘Het stiller worden’: zo zijn we het gaan noemen. Wanneer er bepaalde herinneringen in therapie worden besproken vraagt hij soms; ‘werd je toen óók stiller?’. Ik vind het fijn dat deze woorden passen bij wat ik voel op zo’n moment. Alsof ik echt begrepen word. Het verwart, want ik verlang naar dit soort troost en begrip, maar ik kan er niet mee omgaan. Het doet pijn. Ik wil het te graag.

‘Ik denk dat je het belangrijk vindt om begrepen te worden en dat je niet altijd begrepen wordt, klopt dat?’ Hoewel ik mijn therapie-tijd als heilig beschouw ben ik na deze vraag stil geweest tot hij zei: het is tijd’.

Hij zat er maar een beetje bij eigenlijk. het laatste half uur. Ik huilde wel, zo stil was het dan ook weer niet. En in mijn hoofd was het alles behalve stil; Mijn moeder was beginnen met schreeuwen na die vraag. In mijn hoofd, in de kamer van mijn therapeut, begon het schreeuwen.

Ik probeer te bedenken dat de tegeltjes op de vloer wél op een lijn liggen. Ik zoek naar overzicht in de ruimte. Dwing het af bijna. Maar goed, eerst begint mijn moeder te schreeuwen later mijn broer, zus en vader. Een grote chaos. En ik zit hier, in deze ruimte, en besluit dat het goed is dat ik huil. Dat dat mag.

Iets zegt mij dat ik eigenlijk zou moeten spreken. Maar ik weet ook: Als ik spreek is het over, zodra ik dit in woorden om ga zetten zal ik de tranen wegslikken. Zal ik alles goed praten en zeggen dat ik dit verzin. Dat het zo erg niet was. Niet zo erg als het voelt. Als ik zou spreken zou ik stoppen met voelen.’ Dus ben ik gaan huilen. En heb ik niets meer gezegd. Ik werd stiller. Waardevol, dit moment.

Helaas blijkt de herinnering verder te gaan. En blijf ik dagen vastgenageld in de herinnering. ‘Zit je er nog steeds in, nu?’ vraagt mijn therapeut twee dagen later. Ik weet dat ik het verder moet gaan vertellen. En dat doe ik. Ik huil heel erg. Tot ik niet meer verder kan spreken. De herinnering stokt. Maar ik ben een stap verder.

Hij vraagt me het op te schrijven. Dat doe ik. Het is een mooi verhaal. Ik zou het hier kunnen posten als blog. Een prachtig verhaal. Maar het stopt ineens. Wanneer de mensen gaan praten. Ik wil de mensen geen woorden geven. Ik wil niet weten hoe ik mij uit de herinnering redde.

Er gebeurde toch niets wat ik iemand kwalijk nemen kan? Dat dit een gemiddelde avond is in mijn herinnering maakt het misschien wat zuur. Dat dit voor mij normaal was.

Maar is het niet voor iedereen een beetje normaal? Ik wil dat weten. Ik wil het laten lezen aan mijn vrouw, vrienden, vreemden. Ik wil weten wat zij ervan vinden. Ik ben bang dat zij het bagatelliseren. Mij niet begrijpen. Het wegwuiven.

Of misschien lijkt dat anderen het juist wel aangrijpt. Ook dan is het mis. Dan klopt dit gevoel.

De wolk wordt groter. De hoofdpijn ook.