Help, hechting! (en waarom doet het toch zo’n pijn?)

Help, hechting! (En waarom doet het toch zo’n pijn?)

Het is even geleden dat ik mijn vorige blog schreef, en ik moet eerlijk zeggen dat ik niet precies weet wat er is gebeurd met de afgelopen maand. Ik ben druk bezig geweest met de afronding van het studiejaar en mijn eigen therapie, maar ondertussen is het – helaas – ook nog een beetje geëscaleerd. Gelukkig heb ik vier dagen bij mogen komen op de crisisdienst en dat heeft me veel rust gebracht. Ik denk dat veel van mijn onrust van de afgelopen weken uiteindelijk te herleiden is naar hechting. Of nou ja, eigenlijk naar hechtingsproblematiek en hoe ik daar keer op keer gigantisch mee in de knoop raak.

Stukje bij beetje moet ik er toch maar aan geloven dat ik “een beetje probleempjes” heb rondom hechting, verlating(s-angst) en soortgelijke thema’s. Ik merk dat de verschillende delen van mij (alters) er ook allemaal een eigen idee over hebben. Zelf ben ik – ‘grote Sae’ – toch vooral van de ratio. Misschien zijn er wel vervelende dingen gebeurd toen ik heel klein was, maar daar heb ik toch geen herinneringen aan? Ik ben toch slim genoeg om te bedenken hoe de wereld werkt? Nou, dan moet ik ook niet zo moeilijk doen over allerlei kleine dingen… Ik heb een prima leven, dus waar maak ik me dan zo druk om?

Maar dan schiet ik ineens naar kleine Sae. Dan lig ik een uur trillend in bed, me vastklampend aan mijn gigantische teddybeer, zonder dat ik weet waar die intense angst vandaan komt. Dan voel ik me misselijk van verdriet en intens, intens eenzaam en verloren. Onbeholpen schiet dan door mijn hoofd: is dit hoe ik me voelde als kind? Hoe het was toen ik als baby’tje helemaal alleen was, zonder veilige hechtingsfiguur?

veilige hechting

Als ik denk aan hoe dat eruit ziet – veilige, goede hechting – dan lijkt het zo mooi, maar voor mij voelt het haast hartverscheurend. Hoe warm, hoe liefdevol moet het zijn om als niets-kunnend baby’tje in deze wereld te komen en een moeder(figuur) te hebben. Dat je emoties gespiegeld worden, dat je een onvoorwaardelijkheid en vanzelfsprekendheid voelt in het contact met je primaire ouder/verzorger. Dat je getroost wordt wanneer je verdrietig bent, dat je kinderlijke zorgen worden gesust. Mijn moeder was er soms. Soms was ze liefdevol en vrolijk en aanwezig en beschikbaar, maar soms was ze boos, lag ze in bed en was alles wat ik deed teveel. Het enige voorspelbare, was de onvoorspelbaarheid.

Soms vraag ik me af of ik het me misschien inbeeld. Misschien voelt iedereen zich wel zo? Misschien ben ik gewoon zwak omdat ik niet kan dealen met wat ik ervaar en voel? Maar dan overvalt de leegte me weer; beter kan ik het niet beschrijven. Een soort gapend gat in mijn middelste, het gebrek aan een basis, het niet weten waar ik aan toe ben. Een therapeut die met vakantie gaat is een gigantische trigger: ik heb er geen vertrouwen in dat de therapeut nog terugkomt. Of, zoals ik het voor de grap wel eens zeg: ik heb de object permanence van een naaktslak. Uit het oog voelt voor mij niet alleen als uit het hart, maar ook als uit het hoofd, uit het leven, uit de gedachten, uit het bestaan. Zodra mensen mij niet zien, besta ik niet meer. Want hoe kan ik iets betekenen voor mensen?

Ondertussen hoop ik dat ik in therapie een soort van “nep-hechting” kan nadoen, waardoor misschien een aantal van de diepe wonden van vroeger geheeld kunnen worden. Weer echt kind zijn, echt klein, en opnieuw beginnen met een ‘echte mama’ zit er niet in… Maar een mens mag dromen, toch? Voordat ik in een diep filosofische monoloog beland, wil ik afsluiten met een gedicht dat ik ooit schreef over dit gevoel. Misschien is dat een veel betere uitleg dan al deze alinea’s bij elkaar:

mama, ik ben je kwijt

Het gat in mijn romp heeft de vorm van een moeder. Ik weet niet
wanneer het is ontstaan maar het ziet er wat vreemd uit, in mijn
volwassen lijf. Hoe vul ik dit gat op? Vertel me alles, alsjeblieft.

Hoe kleine kinderen reageren op de afwezigheid
van geborgenheid en veiligheid. Hoe anderen leren leven
(of dat proberen) met de pijn van nooit meer klein
en veilig kunnen zijn. Hoe het is om in de spiegel te kijken
en in je eigen volwassen ogen de weerspiegeling
van een klein, verloren kind te zien.

Alle mensen van de wereld kunnen me vertellen
dat het niet mijn schuld is,
nooit de schuld is van het kind –
maar er verandert niets aan de echo’s in mijn hoofd.
Misschien als ik aardiger was geweest,
liever,
braver,
mooier,
leuker.

Misschien als ik beter had geluisterd,
minder had gevraagd
en niet zo had gezeurd.
Misschien als ik niet had gepraat en niet had gevoeld,
of gewoon niet had bestaan.

Ze deed toch ook gewoon haar best?

Moeders staan op voetstukken waar ze met windkracht tien
nog rustig staan te stralen. Maar soms raken
moeders de weg kwijt;
kinderen beschadigd;
gezinnen ontwricht.

Ondertussen kijk ik iedere vrouw van boven de veertig
zoekend aan en vraag ik stilletjes, met al mijn pijn:
pas jij in mijn gemis?