Giftige moeheid

Ik ben zo boos. Zo boos dat ik niet eens weet of ik het in woorden kan uitdrukken.
Het liefst zou ik willen schreeuwen of heel hard huilen. Ergens tegenaan slaan, iets kapot gooien. Maar ik weet niet goed hoe. Dus gonst die woede maar door mijn lijf. Dat lijf van mij, dat soms voelt als een gevangenis. Een gevangenis gevuld met gif waar ik niet uit kan. En dat gif ontstaat uit intense vermoeidheid.

Ik heb jarenlang ernstige vermoeidheidsklachten gehad. Ik was zo moe dat mijn hart soms klopte alsof ik een sprintje had getrokken en ik het gevoel had dat ik door een rietje ademde. Ik kon vaak mijn hoofd niet overeind houden en als ik at dan huilde ik omdat kauwen te vermoeiend was. Als ik liep dan schuifelde ik als een oud omaatje. Niemand kon me zeggen wat de oorzaak was. De internist zei dat ik moest kijken of het psychisch was. Daar snapte ik toen niks van. Ik was toch hartstikke gelukkig?

Ik sliep soms wel 16 uur per nacht, om nog steeds doodmoe wakker te worden. Mijn dagen bestonden uit eten, op de bank liggen en een klein rondje buiten strompelen. Dag in, dag uit. Ik raakte vervreemd van de wereld, ik had het gevoel alsof ik in een glazen bol leefde. Soms kon ik amper nog praten of denken. Ik heb vaak gedacht dat mijn lichaam het zou opgeven, dat er na een uitademing gewoon geen kracht meer in mijn lichaam zou zijn voor een nieuwe ademteug.

Ik sleepte mezelf door de dagen heen. Ik verdroeg, ik probeerde hoop te houden. Toen ik weer kon fietsen, fietste ik regelmatig naar een stukje natuur toe. Dan zocht ik een stil plekje op waar ik dan ging zitten huilen. Smekend richtte ik mij tot een god waarin ik nooit geloofd had en ik vroeg hem of hij me kracht wilde geven, want ik kon niet meer. Ik praatte daarna nog een tijdlang hardop tegen mezelf, tot ik weer een klein sprankje hoop vond. Dan ging ik pas terug naar huis.

Ik haalde geen hoop of kracht uit mijn omgeving, maar uit mezelf. Ik voelde bij de mensen om mij heen vooral de grote machteloosheid. Hun energieke, vrolijke meisje was veranderd in een beverig kasplantje. Men sprak over het chronisch vermoeidheidssyndroom en zei dat ik er maar mee moest leren leven. Maar dat vertikte ik. Het leven dat ik op dat moment leidde, voelde namelijk niet als een leven. Het voelde erger dan dood zijn.

Het heeft lang geduurd, maar de moeheid begon te slijten. Er kwamen momenten waarop ik er even niet mee bezig was en deze werden steeds ietsje langer. Ik kreeg mijn leven weer terug. Ik kon langzaam weer dingen gaan doen waar ik al die tijd naar verlangd had.
Maar de afgelopen dagen voel ik het ineens weer een beetje. En juist het feit dat ik eindelijk weer de fijne dingen van het leven heb kunnen ervaren, maakt de confrontatie met die oude pijn zo hard. Dan voel ik en herinner ik me alles weer. Ik probeer maar te zoeken naar woorden om uit te leggen wat dat met me doet, maar ik vind ze niet. Ik ben sprakeloos en verblind van woede jegens dat gevoel dat altijd weer een sluipweggetje vindt om bij me terug te komen. En ik weet dat ik, wederom, niks anders kan doen dan het verdragen. Ook al denk ik elke keer dat ik het nu echt niet meer kan.

One Comment

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

CommentLuv badge

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.