Geen bodemloze put

Ik lag in bad toen het nog licht was en ik lig er nog steeds wanneer het donker wordt. Ik zie een schaduw onder mijn lichaam verschijnen en even twijfel ik of het wel écht mijn schaduw is, of een weerspiegeling van mijn gitzwarte ziel. Hoe dan ook, ik speel ermee… met het idee en met het zwart, wat het dan ook moge zijn. Ik draai me om en het zwart beweegt mee. Ik glimlach. Grappig.

Oh nee, toch niet. Dit is niet grappig. Als ik denk zoals nu, betekent dat vaak niet veel goeds. Ineens draait mijn binnenpretje om naar iets naars. Ik moet uit bad.

Ik ben al een tijdje op een niet zo dragelijke plek in mijn hoofd. Ondragelijk, eigenlijk. Ik ben geneigd erin te verdwijnen. Het is een soort van fascinerend dat je weg kan zakken in iets wat niemand ziet. Een onzichtbaar gat. Hier en daar roepen wat mensen; “Red je het nog?” Ik neem die vraag vrij letterlijk. “Ja, ik red het nog, want ik ben er nog” zeg ik, maar tegelijkertijd voel ik dat ik met één vingernagel aan het randje van de afgrond hang.

Maar wat is die afgrond eigenlijk? Het voelt diep, groot, naar en onvermijdelijk. Ik weet dat ik erin ga vallen, misschien ben ik al aan het vallen, of misschien sta ik eigenlijk al met één voet op die ijskoude bodem van de put. En dat betekent dan gelijk dat mijn put niet bodemloos is. Dat is een hele opluchting. Ik zal niet eindeloos meer vallen.

Door de put echoën stemmen uit het verleden, en omdat hij rond is komt daar geen einde aan. Omdat er geen trap is, kan ik niet anders meer dan zijn waar ik ben. Ik kán niet anders meer dan me gewonnen geven.

Ik hoor één stem heel zachtjes klinken door alle waanzin heen. Iemand roept mijn put in: “Hou vol, Fay! Niet opgeven!” En al klinkt het als bijna niets, omdat de rest het overschreeuwt, weet ik dat ik naar dié stem luisteren moet.

Het is gek… Ik heb er een soort van vrede mee dat ik niet meer kán, omdat ik weet dat ‘niet meer kunnen’ de sleutel is tot een ommekeer. De bodem maakt een einde aan het vallen en vanaf daar kan ik alleen nog maar omhoog. Maar het is wél donker, eng, alleen en naar dus ja, ik red het maar… ik moet me wél blijven focussen op die ene stem, ik moet ‘niet opgeven’ haast elke minuut voor mezelf herhalen, en ik hou me vast aan een zijden draadje hoop…

De hoop dat er na het EMDR-traject ineens een trap naar boven verschijnt en dat het dit keer géén zwart grapje van mijn hoofd is.

One Comment

  1. stefan

    Ik herken een deel van je post heel erg. Aleen dat opklimmen niet. Ik denk dat als iemand voelt dat hij/zij toch altijd weer gaat vallen diegene een liefde naast zich verdient die niets verwacht, geen prestatie/weer opklimmen etc. voor mij persoonlijk eindigt die val straks in de hel, als die bestaat.
    ik denk dat de hel vol is met mensen die tot het laatst op 2 gedachten hebben gehinkt. ze wilden zich niet verbinden aan een vriendschap op de bodem, maar konden er ook niet aan ontsnappen. resultaat, miljoenen puur eenzame zielen die elkaar hadden kunnen steunen en liefhebben als ze hier op aarde hun val gewoon hadden omarmt, vrienschappen hadden gesloten gebaseerd op de wetenschap dat de hel/put/whatever het enige is wat ze nog te wachten staat. Maar dat durven mensen blijkbaar niet. Ik voel me altijd intens verraden als iemand die naast mij op de bodem was weer opklimt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Ik toon graag een persoonlijke blog onder mijn reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.