Emotioneel op anderhalve meter

De psychiater. Ze is mijn moeder en vader ineen. Ze leerde me groot zijn en groots zijn in het verdragen van emoties en groter zijn in mijn aanwezigheid. Ze leerde hoe ik gezonde banden kan aangaan, waardoor ik nu in staat ben tot het hebben van een relatie en voorzichtig ook wat vriendschappen, zonder dat ik (of mijn relaties) daar aan kapotgaan. Ze leerde me orde aanbrengen in mijn dag, een bodem leggen onder mijn leven. Een veilig huis, genoeg bewegen, gezond eten – de rust, reinheid en regelmaat – maar dat het ook oké is als je gemoed zo heftig is dat alles omver geblazen wordt. Zij bleek daartegen bestand, wat ik wonderlijk vond, maar waarover zij zei: misschien is het niet gek of bijzonder dat ik ertegen kan, maar dat anderen dat niet konden. Misschien ben je minder lastig dan je denkt.

In haar ogen zie ik dat ze me wil kennen en dat ze blij is met alle verloren of verdrongen karaktertrekken, of deze nou sociaal wenselijk zijn of niet. Op momenten dat ik helemaal alleen was, belde ze me op. Ze weet hoe ik klink als ik heel erg huil en het even niet meer weet. Ze loopt niet weg, ze kijkt dan niet moeilijk, ze vraagt me niet te vermannen, ze komt niet met oplossingen. Ze draagt het ook niet voor me, want zij zag dat ik zelf sterk genoeg was om dat te kunnen.

Het is in deze coronacrisis zo moeilijk om haar niet te zien. Mijn opvoeders verdwenen op een dag, er was letterlijk afstand en toen we weer samen waren, voelde ik dat de figuurlijke afstand niet verdwenen was. Het afstandelijke aan deze crisis jaagt me dan ook schrik aan. Ik weet al hoe het is om te leven in een emotionele anderhalvemetersamenleving, waarin het je als kind nooit lukt om je ouders te raken of te bereiken. Ik weet ook hoe het is om fysiek hardhandig op anderhalve meter te worden geplaatst, omdat iemand je niet trekt. Ik heb zo hard gevochten om weer dichterbij te mogen, te durven, dat het verplicht op afstand geplaatst worden zoveel in me losmaakt.

Ik kijk naar het haperende gezicht van mijn psychiater op het scherm, wat me verwart. Ik ruik haar parfum niet – dat ik ogenblikkelijk koppel aan ‘spreekkamer’ en ‘spannend’, maar ook aan ‘veilig’. Ik hoor niet hoe ze aan komt lopen – ik denk dat ik haar voetstap uit duizenden zou herkennen – omdat ik zo vaak gespannen heb zitten wachten in de wachtkamer en haar altijd al hoorde én herkende voordat ik haar zag. Hoe ik wist dat ze me niet was vergeten – zij is me nog nooit vergeten. Ik mis het moment van aankomst, voor de therapie aanvangt. Dat ongemakkelijke naar binnen schuifelen, het even nog niet in de therapiesessie zitten. Wat zeg je dan tegen elkaar? Pak je de koetjes en kalfjes erbij? Zijn we een moment geen arts en patiënt maar gewoon twee mensen die zich klaar maken voor een gesprek? Ze zet altijd thee voor me, de oude kopjes stapelt ze in de gootsteen. Ik durfde pas na de tiende keer te kijken hoe ze dat deed, altijd bang om haar te storen in het ‘normale’. Alsof ze dan weer weg zou gaan, want ik hoor niet in haar ‘normaal’, ik behoor slechts tot haar werk, waar ze ‘s avonds weer afstand van doet.

Hoe meer deze ongemakkelijke maar oh zo menselijke momentjes ontbreken, hoe meer ik twijfel aan haar bestaan. Bestaat ze überhaupt, als ik haar niet ruik, niet hoor en niet zie hoe ze een kopje thee voor me zet? Is ze – ontdaan van al die menselijke trekjes – nog wel echt aanwezig? En hoe zal het zijn als ik haar weer zie en we verplicht op anderhalve meter zijn? Zal ik dan opnieuw voelen wat ik voelde toen ik als kind definitief op een afstandje werd geplaatst? Want het brein is gek op metaforen, op gelijkenissen. Ik ben eind twintig, maar verlang ‘s avonds in bed weer terug naar mijn oude knuffel, die ergens in de kast ligt. Is het te laat om een trapje te pakken zodat ik hem uit de kast kan vissen? Ik voel me namelijk weer een tiener, te oud om schattig te zijn, te klein om volwassen te zijn, te oud om nog aan mama’s hand te lopen, te jong om te horen dat iemand niet voor je kan zorgen.

Voor altijd véél te klein om te horen en te weten en te voelen dat ik niet dichterbij mag. Anderhalve meter, de afstand tussen mij en mijn moeder, toen ik besefte dat ik nooit meer dichterbij zou komen.

Lees ook:

  • Eenzaam mens in een donkere straat

    Maar mama waar was je, toen ik thuis kwam van school en jij nooit vroeg hoe het geweest was. Mama, waarom gaf je mij de indruk dat ik mij moest schamen, dat dingen die ik deed gek waren? Mama, waarom…

Kijk voor tips om om te gaan met psychische klachten ook eens op psyche.tips

lees meer