Vrouw in kooi

Durf in mij te geloven

Ik praat vaak overal en nergens over, maar niet over de reden van mijn PTSS. Als ik daarover nadenk is dat logisch, want één van de hoofdsymptomen van PTSS is vermijding.

Vaak heb ik me afgevraagd wat vermijding nou precies inhoudt. Tijdens een kortdurende intensieve traumabehandeling werd er vaak tegen me gezegd dat ik nog wel héél erg in mijn vermijding zat, dat ik de cirkel moest doorbreken en het áán moest gaan. “Als je nog niet eens met je handen in het pierenbadje durft, hoe wil je dan in het diepe kunnen zwemmen?” 

Ik merkte dat ik wanhopig werd van dergelijke opmerkingen. Ik was gemotiveerd om beter te worden. Ik wilde mijn angsten overwinnen, maar ik kón het niet. Mijn mond ging met moeite soms een beetje open, maar er kwam geen geluid. Ik dacht keer op keer weer bij mezelf “Kom op, zeg het!”, maar de angst greep me zo immens naar de keel, dat het me vrij letterlijk lichamelijk en/of geestelijk verlamde. Exposure therapie werd na twee sessies van de baan gegooid en vervangen door extra EMDR sessies. EMDR sessies vol stilte, frustratie, tranen en gevoelloosheid tegelijk. Ik hoorde mijn groepsgenoten vertellen “Man, ik vond het éng, maar ik heb het tóch verteld!” Ik voelde me onzeker worden. Deed ik dan niet genoeg mijn best?

Er niet over kúnnen praten is blijkbaar ook een vorm van vermijding. Tóch voelt het voor mij niet alsof ik een keuze heb. Ik probeer het met alles wat ik in me heb te winnen van mijn angst. Vermijding klinkt voor mij alsof ik iets doelbewust aan het ontwijken ben, maar het tegenovergestelde is waar. Alles wat ik zeggen wil, dénk ik wel. Beelden malen honderden keren door mijn hoofd. Ik geef antwoorden op alle vragen, maar niet hardop. Ik kan het niet. Angst en schaamte snoeren mij de mond.

“Maar je hóeft je toch nergens voor te schamen?” Nee, dat zou inderdaad niet hoeven, maar toch voel ik het. Er is zó veel schaamte dat ik bepaalde woorden niet uit kan spreken. Dat is één van de redenen, waarom een beeld vertalen van mijn hoofd naar uitgesproken woorden lastig is. Ik zoek naar andere woorden die de woorden die ik eng vind vervangen kunnen, maar kan ze niet vinden.

Terwijl behandelaren me hoopvol aanstaren en wachten op een antwoord, voel ik me bekeken. Ik voel me kleiner en kleiner worden. Ik hou er niet van als mensen naar me kijken en zéker niet als ik niet naar hen durf te kijken, omdat ik dan onmogelijk kan inschatten wáár ze dan precies naar kijken. Mijn lichaam? Ik voel me steeds ellendiger worden en probeer mijn schouders iets naar voren te draaien. Wat heb ik eigenlijk aan? Lok ik iets uit? Doe ik iets fout? Laat ik te veel van mijn lichaam zien? Ik ben bang.

Het gekke is, dat ik ‘het verhaal’ eigenlijk graag delen wil. Ik wil er niet meer alleen naar hoeven kijken. Ik wil dat er iemand is die weet wat er gebeurd is en ik word er ziek van me een geheim te voelen. Ik wil verlost zijn van het zwijgen, ik wil mijn stem terug. Ik wil controle, ik wil zeggen wat ik zeggen wil, zonder dat iets of iemand mij nog tegenhoud. Ik word bang als ik me besef dat ‘het niet mogen praten’ van vroeger, ik nu nog steeds in heel mijn wezen, precies hetzelfde voel.

Eigenlijk voelt er veel nog hetzelfde als vroeger, al is vroeger al lang en breed voorbij. Althans, de gebeurtenissen zelf zijn voorbij, maar de beelden, herinneringen en de gevoelens waarmee deze gepaard gingen laten mij denken dat ze soms nog steeds daadwerkelijk gebeuren. En dat maakt dat ik nog steeds hetzelfde reageer op dingen die voor mij hetzelfde voelen of een gelijkenis hebben.

Mijn netwerk van angst is inmiddels zó groot, dat ik niet meer naar buiten durf. Zó groot dat ik niet meer durf te sporten in het bijzijn van andere mensen. Zó groot dat ik niet meer in één ruimte durf te zijn met een man en dat dat mij mijn baan heeft gekost. Zó groot dat als de tandartsstoel zich achteruit beweegt, het voelt alsof ik gedwongen word in een positie waarin ik me niet veilig voel. En dat, terwijl een bezoek aan de tandarts werkelijk niets te maken heeft met mijn oorspronkelijke trauma.

Toch voel ik me optimistisch en ga ik er nog steeds vanuit dat ik ‘beter’ kan worden. Dat ik verlost kan worden van de angsten die mij in mijn dagelijks leven beperken, van de nare beelden in mijn hoofd en het gevoel dat ik heb over mijn lichaam. Ik moet erin geloven, want ik heb namelijk onwijs veel zin in alles wat ik nog wil doen. Ik wil weer meedoen en dromen en doelen bereiken. Ik wil mijn rijbewijs halen, werken, afspreken met vrienden, nieuwe mensen ontmoeten en over straat lopen.  Ik ben het overleven wat ik al overleefd heb meer dan zat. Ik wil leven.

En ik hoop daarom met heel mijn hart, dat mensen mij niet opgeven. En dat zij net als ik, ondanks alles, in mij durven blijven geloven.