verdrietig kind op de bank

Door onszelf in de steek gelaten

Rechts achter mijn psychiater staat een 10-jarig meisje met het gezicht van ons afgewend. Ze heeft voetbalkleding aan, lang en blond ongeborsteld haar met ingevlochten kleurige stofjes, waarschijnlijk nog van de zomervakantie in Frankrijk, net als de nog gebruinde huid. Haar lichaam straalt verdriet uit en tegelijkertijd lijkt er iets van boosheid in haar opgetrokken schouders te zitten. Ze is verdwaald en onmogelijk aan te raken, onmogelijk vast te houden. Maar terwijl ik naar haar kijk, hoop ik dat er iemand is die dat juist wel doet: haar vastpakt en haar vasthoudt, haar vasthoudt tot ze weer adem krijgt.

Het meisje, dat ben ik. Ze zit altijd wel ergens opgesloten in mijn lichaam, maar nu was ze voor het eerst in de spreekkamer. Natuurlijk was ze er niet echt, maar het was eigenlijk best prettig om haar een keer zo duidelijk voor te stellen. Een opluchting voor ons allebei (dus voor mij in ’t geheel – volg je ‘m nog?) om haar een plek en aandacht te geven. Ik begreep ineens dat dit meisje de leegte is die ik altijd voel, het gebrek aan veiligheid, het gebrek aan gezien-worden. Dit meisje is het verlangen naar bijzonder gevonden worden.

Niet mijn taak

Terwijl ik dit schrijf herinner ik me een verhaal uit Eendagsvlinders van Irvin D. Yalom. Yalom beschrijft de psychotherapiesessies die hij heeft met een vrouw, een schrijver die (herkenning alom) nogal streng en boos over zichzelf en haar innerlijk kind spreekt. Ze vertelt hoe ze als veertienjarige haar zelfgeschreven gedichten in brand stak. Yalom reageert op de volgende manier: ‘Dus je hebt alle gedichten verbrand die je ooit had geschreven! Ik probeer me een meisje van veertien voor te stellen dat een lucifer aanstrijkt en haar gedichten in brand steekt. Wat een pijnlijke, afgrijselijke gedachte. En zo gewelddadig tegenover jezelf!’

Een reactie die me ontroert. Vervolgens vraagt Yalom aan de vrouw of ze enige sympathie voelt voor dat veertienjarige meisje. Precies de vraag die mijn psychiater me stelde, terwijl ik me dat tienjarige meisje in de kamer voorstelde. ‘Natuurlijk’, was mijn antwoord direct, ‘het meisje is verdrietig, eenzaam en heeft helemaal niets fout gedaan.’ Zijn volgende vraag raakte me: ‘Waarom geef je haar dan niet wat ze nodig heeft?’ Ja, hallo, hoe moet ik nou weten wat ze nodig heeft? Ik heb geen idee hoe ik haar kan helpen. Daarnaast: ik vind het niet mijn taak. Ik vind het niet mijn taak om het tienjarige meisje in mij te koesteren. De tranen rollen over mijn wangen – het is verdomme niet mijn verantwoordelijkheid, iemand anders had dit moeten doen.

De hoop op een beter verleden

In een latere sessie zegt Yalom tegen de vrouw: ‘Je moet de hoop op een beter verleden laten varen.’ In de laatste sessie gebeurt iets bijzonders. De vrouw vertelt over een zwaarmoedig verhaal dat ze heeft geschreven toen ze vijftien was, over een meisje dat tijdens een busrit redenen op blijft noemen om niet verder te leven. Tijdens de laatste sessie met Yalom leest de vrouw een herschreven versie voor, waarin de buschauffeur het meisje opmerkt, naast haar gaat zitten en een gesprek met haar aanknoopt. Over het herschreven verhaal zegt Yalom: ‘Jij hebt de hoop op een beter verleden niet opgegeven. Je hebt een nieuw verleden voor jezelf geschreven.’

Terwijl ik de woorden van Yalom lees, denk ik aan wat mijn psychiater opperde: een brief schrijven aan het tienjarige meisje. De beste man heeft vaak goede ideeën en dit zal er ook vast wel weer één zijn, maar het voelt alsof ik er nog niet aan toe ben. Het meisje en ik voeren nog een kinderlijke strijd, waarbij we allebei te koppig zijn om als eerste sorry te zeggen. We voelen ons allebei door onszelf in de steek gelaten. Een uitgestoken hand kan zomaar afgehakt worden.

Schuld

Daarnaast zit ik nog vast in het gevoel ergens schuldig aan te zijn, aan de verwaarlozing van mijzelf, het gebrek aan zelfcompassie, de koppigheid of juist aan het onvermogen om liefde te ontvangen. Lang, en soms betrap ik me er nog op, heb ik gedacht dat er iets mis met mij was, dat het aan mij lag, dat ik gewoon niet tevreden kon zijn met wat mij werd geboden. In Schuldig beschrijft filosoof Jannah Loontjens hoe je je schuldig kunt voelen over de dwingende boodschap je gelukkig te voelen: ‘Je voelt je schuldig omdat je niet genoeg geniet, omdat je geen blijdschap kunt delen met je naasten.’

Loontjens heeft het ook over het voor mij belangrijke thema van loyaliteit en losmakingsschuld, over het contact tussen ouder en kind. Ik voel me zo schuldig over dat tienjarige eenzame, ongelukkige meisje in mij, omdat ik daarmee indirect iets slechts over mijn ouders en/of jeugd zeg. Ik voel me schuldig, omdat ik niet heb kunnen pakken wat mij is aangereikt. Loontjens schrijft in Schuldig dat ze al jong medelijden had met het kind dat haar moeder is geweest, ‘samengaand met een schuld omdat ik het zoveel beter had dan zij. Ik had het bedrukte gevoel dat ik iets moest terugdoen om onze levens in balans te brengen.’ Pijnlijk herkenbaar.

Altijd moest ik alles nóg beter doen, alsof ik iets moest herstellen. Laatst vond ik mijn rapporten van de basisschool terug en vanaf groep 3 (!) staat in elk rapport door de juf of meester iets geschreven als: ‘Anne, je mag het echt wat rustiger aan doen’ of ‘je hoeft niet in paniek te raken als je een foutje maakt’. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit het gevoel heb gehad gepermitteerd te zijn om het rustiger aan te doen. Een foutje maken was schuldig zijn aan disbalans.

Afstand tot de wereld

Het tienjarige meisje kreeg te maken met grote momenten van disbalans en ze ontdekte manieren om te verstoppen, te verhullen, te vertrekken. Ze verdween in haar hoofd om te overleven. Maar aan dat denken, dat alsmaar denken, dat gruwelijke denken zat een groot nadeel: het schiep afstand. Een afstand tussen haar en de wereld, tussen haar en de ander en nu, tussen haar en mij. Een afstand waar geen einde aan lijkt te komen, met existentiële vragen als bomen op de weg.

Terwijl ik dit schrijf, ligt mijn kat achter me snurkend in diepe slaap en moet ik denken aan wat filosoof Camus ooit heeft geschreven: ‘Als ik een boom was geweest of een kat, had ik geen last gehad van de vraag naar de zin van het leven. Dan was ik deze wereld.’