De pijn van het verlaten

Ze ligt in een groot, wit bed in het ziekenhuis. Ik ben op bezoek bij M. Een gordijn scheidt haar gedeelte van dat van de vrouw naast haar. De vrouw huilt en kreunt van de pijn. “Ja,” zegt M. echter, “zij en ik hebben afgesproken dat we gewoon vrijuit mogen huilen en kreunen. We hoeven ons niet in te houden.”
Het benauwt me. Ik probeer een gesprek te voeren, maar ik hoor alleen maar de geluiden van de vrouw naast ons. Geluiden die zo privé zijn, dat ze tot diep in mijn lijf binnendringen.

Aan het einde van het bezoek schuifelt M. met me mee over de gang, stapje voor stapje. “Ik ga voor het raam staan, dan kan ik naar je zwaaien, dat is leuk.”
Ik loop naar buiten. Het is daar koud en al donker. Ik doe mijn fiets van het slot en loop de parkeerplaats op. Daar zie ik ineens haar silhouet voor het raam verschijnen. Ze kijkt, ze zoekt en ze ziet me. Ze zwaait. Ik zie aan haar bewegingen dat ze het leuk vindt om naar me te zwaaien. Maar ik sta buiten en ik moet wegfietsen. Ik moet op mijn fiets stappen, op de trappers duwen. Ik moet haar daar achterlaten in dat grote ziekenhuis. Ik moet fietsen naar een huis waar zij niet is.

Ik zwaai. Ik zet mijn voet op de trapper. Ik trap. En ik ga kapot. Ik ga onherroepelijk, niet-te-fixen kapot.

Er scheurt iets in mijn buik. Het scheurt, rafelig en rauw. Ik laat een stuk van mij achter. Het blijft daar liggen. Op die parkeerplaats van dat ziekenhuis.
Ik fiets naar huis. Ik huil. Er zit een lege holte in mijn buik die dof klopt.

Daarna bezoek ik haar niet meer. Ik wil niet meer en weiger om nog te gaan. Ik mis haar verschrikkelijk. Maar de pijn van het verlaten, de pijn van het scheuren is vele malen erger dan de pijn van het missen.

Nu is het 2017 en we zijn 11 jaar verder. M. heeft dat ziekenhuis al lang en breed verlaten. Maar nog steeds sta ik daar nog regelmatig in gedachten, op die parkeerplaats. M. heeft al duizend keer naar me gezwaaid. Ik heb al duizend keer op die trapper van mijn fiets getrapt. Mijn buik is al duizend keer kapot gescheurd.

En daarom denk ik nog vaak, na het verlaten van iemand die ik liefheb: Ik ga nooit meer terug. Want de pijn van het verlaten is vele malen erger dan de pijn van het missen.

Maar ik ben erachter gekomen dat dat niet waar is. Er is een pijn die groter is dan het missen én het verlaten bij elkaar. En dat is jezelf liefde ontzeggen, uit angst.

Daarom ga ik tegenwoordig wél terug. Ook al trap ik nog regelmatig tijdens het afscheid nemen op die trapper in mijn gedachten.
Maar al moet ik nog duizend keer het scheuren ervaren: Zolang er nog liefde te vinden is, zal ik altijd terugkeren.

7 Comments

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

CommentLuv badge

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.