Overzicht van vermoedelijke oorzaken van Borderline (BPS)

Hier ben je:

Er is geen eenduidige oorzaak gevonden waarom iemand een borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS) ontwikkelt. Bijna altijd gaat het om een combinatie van factoren. Elke factor speelt een eigen rol bij het ontstaan van de stoornis. Het gaat, net als bij de andere stoornissen in cluster B, om een combinatie van aangeboren persoonlijkheidseigenschappen, traumatische jeugdervaringen en een onveilige hechting aan ouders of verzorgers.

Psychologische factoren

Onderzoek heeft aangetoond dat misbruik of ernstige verwaarlozing in de kindertijd kan leiden tot een persoonlijkheidsstoornis. Mensen met gedocumenteerde achtergrond van kindermishandeling hebben vier keer meer kans om te worden gediagnosticeerd met een persoonlijkheidsstoornis, waaronder BPS. Onderzoekers zijn voorzichtig over de interpretatie van dit soort studies omdat de correlatie niet hoeft te wijzen op oorzaak-en-gevolg.

25 tot 75% procent van de mensen met borderline zegt in hun jeugd seksueel, fysiek of emotioneel misbruikt te zijn. Ook zeggen velen dat hun ouders overbeschermend, inconsistent, verwaar­lozend of veeleisend waren. Ernstige traumatisering voor het zesde jaar blijkt bij BPS-patiënten vaker voor te komen (57%) dan bij patiënten zonder BPS (13%).

Hoewel seksueel misbruik samenhangt met borderline, is er geen oorzakelijk verband. De meeste mensen die als kind misbruikt zijn, ontwikkelen geen borderline persoonlijkheidsstoornis. Dat geldt ook voor andere trauma’s als verwaarlozing. Niet alle borderline-patiënten hebben bloot gestaan aan een vroege traumatisering en veel mensen die wel in hun jeugd getraumatiseerd zijn ontwikkelen geen BPS.

Genetische aanleg

Wanneer een van de ouders borderline heeft, is de kans dat hun kind ook borderline ontwikkelt vijf keer zo groot als bij kinderen waar de stoornis niet in de directe familie voorkomt. Maar omdat borderline afhankelijk is van complexe factoren is het moeilijk te zeggen in hoeverre deze aandoening als geheel erfelijk is.

Voor het ontwikkelen van borderline moet wel een bepaalde genetische aanleg aanwezig zijn. Een onderzoeksinstituut in Noorwegen heeft in 2015 met behulp van tweelingstudies grootschalig onderzoek gedaan naar het verband tussen genen en persoonlijkheidsstoornissen. Identieke tweelingen die bij de geboorte gescheiden zijn en in verschillende huishoudens worden opgevoed werden daarbij vergeleken met twee-eiige tweelingen. Identieke tweelingen delen identieke genen, en daarom kunnen alle gelijkenissen in persoonlijkheidskenmerken worden toegeschreven aan de genetica. Uit die studies bleek dat de variatie van typerende persoonlijkheidskenmerken van borderline als stemmingswisselingen, impulsiviteit en angst in die groep voor zeker vijftig procent door genetische factoren zijn bepaald. Uit dezelfde studies bleek ook hoe complex de interactie tussen genen en omgeving is; de genen kwamen alleen tot expressie in vergelijkbare jeugdomstandigheden.

Serotonine en stressregulatie

De genetische aanleg voor borderline komt vaak pas tot uiting na stressvolle gebeurtenissen. Een van de theorieën is dat een jeugdtrauma een verandering veroorzaakt in iemands stressregulatiesysteem. Volgens een studie in het “International Journal of Neuropsychopharmacology” (2007) kan een specifiek gen genaamd tryptofaanhydroxylase-2 betrokken zijn bij de ontwikkeling van onder anderen de borderline persoonlijkheidsstoornis en de narcistische persoonlijkheidsstoornis. Tryptofanhydroxylase-2 helpt de productie van serotonine te regelen, een belangrijke hersenstof die betrokken is bij stemmingsregulering. Tijdens stress zorgt deze stof ervoor dat de paniek niet te zeer toeslaat zodat iemand weloverwogen kan handelen. Eerder zijn duidelijke verbanden aangetoond tussen stoornissen in de regulatie van emoties en impulsen, en afwijkingen in het serotoninesysteem in de hersenen. Ook uit neurofysiologische studies blijkt dat de endorfine-regulatie van borderlinepatiënten verstoord is.

Borderline en het brein

Een andere manier om naar biologische verschillen te kijken is met behulp van hersenscans. Met mri-scans liet de Amerikaanse psychiater Antonia New zien dat borderlinepatiënten minder verbindingen hebben tussen de amygdala – het emo­tionele brein – en de prefrontale cortex, en in vervolgonderzoek dat heftige emoties bij mensen met borderline minder goed worden gereguleerd door de prefrontale cortex. Dat zou verklaren waarom mensen met borderline emoties veel intenser beleven dan de meeste anderen, en ook waarom ze moeite hebben hun emoties in goede banen te leiden.

In deze video legt Antonia New haar onderzoek uit:

Lees ook: Omgaan met borderline voor mensen met borderline en omstanders

Bekijk de laatste blogs over borderline: