Wat is disharmonisch ontwikkelingsprofiel (verbaal-performaal-kloof)

Hier ben je:

Een IQ geeft aan hoe je scoort op een intelligentietest, vergeleken met het deel van de bevolking van jouw leeftijd. De term verbaal-performaal-kloof is ontstaan als een gevolg van de meetmethode die bij de meeste IQ-testen gehanteerd wordt. Men meet er enerzijds het verbale IQ mee, en anderzijds het performale IQ.

Het verbale IQ meet alles wat betrekking heeft op woordenschat, taalgevoel, redeneringsvermogen. Rekenen is ook redeneren en valt  onder het verbale IQ.

Het performale IQ meet hoe je praktisch omgaat met je kennis. Hoe los je praktisch een probleem op bijvoorbeeld. Motorische vaardigheden spelen hierbij een rol, maar evengoed een aantal inzichten, zoals bijvoorbeeld het ruimtelijk inzicht.

Beide IQ’s lopen in de normale ontwikkeling in zekere mate parallel.  Er is sprake van een disharmonisch profiel of verbaal-performaal-kloof (v/p-kloof) wanneer er significante verschillen bestaan tussen de verbale en de performale intelligentie.

Bij welk verschil er sprake is van een kloof, wat de consequenties zijn van een kloof en wanneer een kind er last van krijgt is niet wetenschappelijk gevonden. De kloof is dan ook zeer omstreden. Zeker is dat mensen met een zeer disharmonisch profiel hinder kunnen ondervinden in hun ontwikkeling.

soorten v/p-kloven

Er kan sprake zijn van een hoger verbaal IQ en een lager performaal IQ (V/p-kloof) of van een lager verbaal en een hoger performaal IQ (v/P-kloof, ook omgekeerde kloof genoemd). Het eerste geval komt 7 keer meer voor dan het tweede..

Risico’s

Er zijn enkele risico’s voor kinderen met een disharmonisch profiel:

  • Kinderen en jongeren die verbaal sterk zijn (V/p-kloof), worden overschat. Ze hebben vaak meer tijd nodig bij taken met ruimtelijk inzicht en organiseren.
  • Kinderen en jongeren die non-verbaal sterk zijn (v/P-kloof), worden onderschat. Ze zijn juist sterk in visueel en praktisch handelen

Hoger verbaal (V/p)

Als er een veel hogere score wordt gemeten op de Verbale Schaal dan op de Performale Schaal  ligt het denken en redeneren in taal dus op een veel hoger niveau dan het praktisch handelen. Dit verschil kan leiden tot grote frustratie en teleurstelling in eigen werk. Het kind is namelijk in staat de plannen die hij maakt op zeer hoog niveau uit te denken en te verwoorden. Als hij deze plannen echter wil uitvoeren, wordt hij teleurgesteld in het resultaat omdat het er anders uit komt te zien dan hij in gedachten had of omdat het hem veel tijd kost om tot een oplossing te komen. Voor zijn gevoel ‘faalt’ hij steeds.

Ook bij instructie kunnen er problemen ontstaan, omdat in het hoofd minder snel een koppeling wordt gelegd met het handelen. Hij zal daarom de neiging hebben om nieuwe situaties te gaan ontwijken en deze pas aan te gaan als hij zeker weet dat hij het beheerst en hij kan beredeneren hoe het in elkaar zit, met name op motorisch gebied.

Kinderen met een IQ van 140 op de verbale schaal en een IQ van 100 op de performale schaal zijn  over het algemeen gebaat bij uitdaging op verbaal vlak (rekenen, taal, geheugen), maar hebben hulp nodig bij het aanbrengen van structuur, het houden van overzicht en het plannen van hun werk. Het is belangrijk dat de leerkracht dit weet, zodat hij het kind enerzijds niet onderschat en zorgt voor uitdagend werk, maar anderzijds ook niet overschat op het vlak van zelfstandig werken. Begeleiding en structuur is meestal van extra groot belang.

Heel anders wordt het advies bij een kind dat een IQ heeft van 145+ op de verbale schaal en een IQ van 125 op de performale schaal. Dit kind is prima in staat om te plannen en het overzicht te houden, maar zal eerder last hebben van frustratie omdat de radartjes in zijn hoofd en stuk sneller gaan dan zijn handen en het tijd kost om plannen die je in je hoofd hebt, om te zetten in daden. Een dergelijk kind is gebaat bij aanmoediging en positieve feedback, waarbij de nadruk moet liggen op het leerproces in plaats van op het eindresultaat. De opvoeder kan bijvoorbeeld vragen wat het kind precies in zijn hoofd had en het kind leren een realistisch beeld van zichzelf op te bouwen.

Hoger perfomaal (v/P)

Als er een veel hogere score wordt gemeten op de Performale Schaal dan op de Verbale Schaal heb je te maken met creatieve en snelle denkers die dat niet kunnen verbaliseren. Kinderen met dit profiel denken vaak in concepten en kunnen een oplossing opeens voor zich zien. Het praktisch handelen ligt bij deze kinderen dus op een hoger niveau dan het handelen in taal.

Het wordt een probleem als kinderen een opdracht krijgen. Een beeld vormen van een situatie, de visualisatie, gebeurt als gevolg van verbaliseren: je brengt dingen onder woorden en die laten je toe een situatie te begrijpen. Als iemand anders de verbalisatie voor jou doet (bv. de leerkracht vooraan in de klas legt iets uit), dan is die beeldvorming een stuk zwakker dan wanneer je de verbalisatie zelf doet.

Het kind snapt dan de opdracht niet en kijkt om zich heen naar de andere kinderen om te kijken wat het precies moet doen. Een hoogbegaafd kind dat aparte opdrachten krijgt, kan niet meer afkijken hoe anderen het doen. Heeft dit kind een v/P-kloof, dan heeft het geen enkele manier meer om het gebrek aan beeldvorming te compenseren en valt het nut van de aparte opdrachten weg.

Een kind met een v/P-kloof kan zeer goed imiteren. Omdat het verbaal zwakker is, wordt het vaak ook als een jonger kind aangesproken en wordt het voortdurend onderschat. 65% van deze kinderen wordt niet ontdekt. Het gedrag van een dergelijk kind kan leiden tot een onterechte diagnose ADHD, Asperger of dyslexie.

Veel van deze kinderen hebben baat bij een creatieve en open onderwijsomgeving, waarin de leerstof op andere wijze wordt aangeboden: visueel, tactiel, via geur of smaak (kinesthetisch aanleren). Ook helpt het als nieuwe dingen een keer worden voorgedaan en als er veel voorbeelden en metaforen worden gebruikt. Verder is het belangrijk om samen met dit kind samenhang te zoeken in plaats van hem alleen dingen uit zijn hoofd te laten leren

Mogelijke gedragskenmerken

  • Het kind heeft moeite met routine. Alles moet steeds opnieuw verteld worden (wassen, aankleden, bed opmaken, …).
  • Het kind is niet in staat zelf zijn rommel op te ruimen in de speelruimte, slaapkamer, kleerkast, …
  • Het kind is vergeetachtig en verstrooid en voert opdrachten bijgevolg niet uit.
  • Het kind is vaak boos of verdrietig. Het begrijpt namelijk wel wat het moet doen maar krijgt het niet uitgevoerd en het eindresultaat valt tegen. Het kind valt zichzelf tegen. (= chronische boosheid)
  • Het kind rekent langzaam.
  • Het kind heeft problemen als het moet handelen in groepsgedrag.
  • Een hoge mate van drempelvrees. Alles wat nieuw is zorgt voor problemen, dus nieuw wordt synoniem voor bedreigend.
  • Het kind blokkeert als het niet kan omgaan met een nieuwe situatie.
  • Het kind is onhandig, blijft bijvoorbeeld glazen omgooien aan tafel.
  • Het kind ontwikkelt tics.
  • Bij het schrijven begint het kind halverwege de regel of de bladzijde.
  • Het kind heeft een laag zelfbeeld (‘ik doe dat niet want ik ga dat toch niet kunnen’).
  • Het kind is vaak angstig, wat zich bijvoorbeeld uit in nachtmerries.
  • Het kind is extreem visueel ingesteld.