Wat is het bedriegerssyndroom (impostor syndrome)

Hier ben je:

Mensen met het bedriegerssyndroom, oplichterssyndroom, bedriegersfenomeen (impostor syndrome) denken dat het niet lang kan duren voordat iemand erachter komt dat ze eigenlijk niets kunnen. Het is een term die werd geïntroduceerd door psychologen en onderzoekers om mensen te beschrijven die niet in staat zijn hun prestaties te internaliseren.

Ondanks externe bewijzen van hun competentie, blijven mensen met het syndroom ervan overtuigd dat ze bedriegers zijn en hun succes niet verdienen. Blijken van succes worden afgedaan als geluk, timing of het resultaat van het misleiden van anderen.

Onderzoek naar het Impostor Syndrome

Uit psychologisch onderzoek kwam rond 1980 naar voren dat naar schatting twee van de vijf succesvolle mensen zichzelf als bedrieger beschouwen. Andere studies vonden dat zeventig procent van alle mensen zich op enig moment een oplichter voelen. Het syndroom wordt niet beschouwd als een psychiatrische stoornis en komt niet voor in de DSM.

De Amerikaanse psychologen Pauline Clance en Suzanne Imes beschreven het impostor syndrome in 1978 voor het eerst, in het artikel The Impostor Phenomenon in High Achieving Women (in het tijdschrift Psychotherapy: Theory, Research and Practice). Ze rapporteerden hun ervaringen met ruim 150 vrouwen, overwegend wit en tussen de 20 en 45 jaar, die ze in therapie, in een praatgroep of op college hadden. Het ging om succesvolle vrouwen die zich niet succesvol voelden, maar angstig, somber en onzeker.

Het viel Clance en Imes op dat deze vrouwen vroeger thuis vaak óf juist wel óf juist niet geprezen waren om hun intelligentie en talent. Verder schrijven de psychologen dat het gevoel een bedrieger te zijn zichzelf in stand houdt doordat deze vrouwen extra hard gaan werken en hun gedrag aanpassen aan wat ze denken dat anderen willen.

Sinds hun artikel zijn er enkele tientallen artikelen over het impostor phenomenon of het impostor syndrome verschenen, er zijn tientallen proefschriften aan gewijd, minstens drie vragenlijsten ontwikkeld om het betrouwbaar te meten en verscheidene boeken voor een breed publiek over geschreven. Al die losse onderzoeken hebben geen duidelijk patroon opgeleverd van de oorzaken en gevolgen van bedriegersgevoelens. Er is nooit een meta-analyse gedaan en het laatste overzichtsartikel is ruim twintig jaar oud (Psychotherapy, 1993).

Wie heeft er last van?

In haar overzichtsartikel uit 1993 haalt Clance studies aan die laten zien dat het vaak om introverte mensen gaat. Volgens andere onderzoeken treft het vooral angstige, emotioneel instabiele, slordige, impulsieve mensen. Of er een verband is met perfectionisme is onduidelijk. Gebrek aan zelfvertrouwen in onderzoek lijkt niet sterk samen te hangen met impostor-gevoelens, soms wordt er zelfs geen significant verband gevonden.

Relatief veel van de studies keken alleen naar vrouwen. Daardoor wordt de indruk gewekt dat het bedriegerssyndroom iets vrouwelijks is, maar zulke studies zijn niet geschikt om te onderzoeken of er een sekseverschil bestaat. Van de kwantitatieve studies vonden enkelen sekseverschillen, maar veel ook niet. In haar proefschrift uit 1979 beschrijft Imes zelfs dat mannen hogere impostor-scores hadden dan vrouwen.