aanraking

Aanraking is uit mijn leven verdwenen

Ik kan me niet meer herinneren wanneer ik voor het laatst ben aangeraakt.

Als ik heel hard nadenk en mijn agenda erbij pak, kan ik reconstrueren wanneer dit was. Op 15 maart begonnen de coronamaatregelen. Op 17 maart werkte mijn haptotherapeut nog met aanraking en ben ik voor het laatst echt vastgehouden. Op 6 en 11 april sprak ik af met een vriendin en hebben we elkaar na overleg toch maar een grote knuffel gegeven.

Maar dat was het dan. In ruim een maand ben ik drie keer aangeraakt. Misschien vergeet ik een enkele kleine ‘oeps, onze handen bewogen langs elkaar’ situatie, maar deze drie momenten zijn de enige momenten waarop ik écht ben aangeraakt. Ik woon alleen, ik heb geen partner, ik heb geen huisdier om mee te knuffelen. 

Aanraking is langzaam uit mijn leven verdwenen en als gevolg daarvan verlies ik mezelf.

Mijn lijf en ik, we hebben nog veel te leren. Bij haptotherapie werken we daar voorzichtig aan – meer ‘in het lijf’ leven, dat soort dingen. Aanraking is daarbij voor mij extreem belangrijk. Mijn hele lijf huilt eigenlijk continu van de huidhonger, ook in normale tijden. Maar in normale tijden zie ik vriendinnen, kan ik vragen om knuffels en kan de hand die ik mijn therapeut gaf aan het begin van de sessie voldoende zijn om me weer een beetje meer echt te voelen.

De eerste keer haptotherapie zonder aanraking was een regelrechte marteling. Daar zat ze dan op anderhalve meter afstand, mijn haptotherapeut. Natuurlijk begrijp ik de regels, natuurlijk begrijp ik de afstand. Maar de kleintjes in mijn hoofd schreeuwden het uit van pijn, verdriet en verlating. Waarom mochten we niet aan het einde van de sessie even tegen haar aanleunen? Vond ze ons vies, lelijk, stom? Het was de harde pijn: deze persoon zou ons kunnen helpen, maar ze doet het niet.

Want er is corona.

Mijn haptotherapeut schrok toen ik vertelde dat ik me niet kon herinneren wanneer ik voor het laatst was aangeraakt. Dat ik merk dat ik mijn lijf verlies – ik bots tegen deurposten, tafels en stoelen omdat ik simpelweg niet meer besef waar mijn lijf eindigt en begint. Dat ik ’s nachts lig te zweten onder vijf dekens in de hoop dat de zwaarte het gevoel van een knuffel kan nabootsen. Dat ik begin te huilen van jaloezie en wanhoop als ik denk aan mensen die wél iemand hebben. Een partner, een huisgenoot, een wat-dan-ook. Zelfs een huisdier zou al een hele troost zijn.

Dus wanneer men weer begint over ‘het nieuwe normaal’ slaat mijn hoofd op hol. Gelukkig gaat het overleven me redelijk goed af, maar dit kan ik niet. Ik kan niet nadenken over een nieuwe normaal, ik kan niet nadenken over de toekomst. 

Ik kan niet leven in dit nieuwe normaal. Ik kan niet herstellen in dit nieuwe normaal. Ik kan niet aan een nieuwe therapie beginnen in dit nieuwe normaal. Ik kan niet bestaan in dit nieuwe normaal, want hoe langer het duurt, hoe meer ik mezelf verlies.  

Dus vertel me niet van het nieuwe normaal. Ik blijf vechten om mezelf staande te houden, en ondertussen klamp ik me vast aan het idee dat de wereld op z’n minst weer normaler moet worden ooit. Dat ik weer mensen kan zien, dat ik weer knuffels kan krijgen. Dat mijn haptotherapeut me weer mag aanraken en dat ik me weer een beetje verbonden voel met de wereld. 

Anderhalve meter: precies genoeg om mezelf kwijt te raken.