Die ogen…

In de slaapkamer raap ik wat van de grond. In mijn ooghoek zie ik een groot lichaam in de spiegel. Luttele seconden lijkt het een reus te zijn. Ik schrik. Ik schrik dat ik dit ben. Even was ik in gedachten blijkbaar kleiner. Veel kleiner.

Ik voel mij vervreemd van het lichaam dat mij nu aankijkt in diezelfde spiegel. Inderdaad een groot lichaam. Geen reus. Maar gewoon een volwassen lichaam.

Het zijn de ogen.

Die ogen… Om die ogen heen zat ooit een kinderlichaam. Je oogbol is rond je derde jaar eigenlijk al volgroeid. Daar denk ik steeds aan wanneer ik in de spiegel kijk; Die ogen hebben alles gezien. Het is de doorgang naar de wereld. En de doorgang van de wereld naar mij.
De wereld heeft mijn ogen altijd begeerd. En als ik contact wilde maken met de wereld moest ik ze gebruiken. Moest ik wel de wereld mij aan laten kijken. De mensen erin moet ik aankijken. En zij mij. Ik zou zo graag niet steeds het gevoel hebben dat er iets van mij afgenomen wordt wanneer ze bij mij naar binnen kijken.

Een paar maanden geleden had ik een nieuwe baan. Na twee jaar van veilig en rustig werk werd het tijd voor een uitdaging. Ik ging werken als docent op een pittige VMBO school. Ik had me voorgenomen dat het tijd was om een uitdaging aan te gaan. De afgelopen twee jaar ging het zo goed, ik was sterker geworden, meer gaan voelen en durfde het aan!
Na een paar weken gebeurde er iets wat mij enorm raakte. Tijdens een tussenuur werd ik met snoepjes bekogeld en op een ander moment met kwasten uit onverwachte hoek. Beide keren hield de werper zich stil. En ik brak. Een klas vol pubers, gebroken kinderen, keek mij aan. Ik besloot hen mijn tranen te laten zien, waar kon ik anders heen? De gang, de docentenkamer, het plein; er was geen veilige plek. Twintig minuten heb ik daar voor de klas gezeten en gehuild tot de bel ging, waarop de klas vertrok. Een jongen hielp nog met opruimen ‘juf, trek het je niet aan, wat denk je eraan te gaan doen?’ zei hij bemoedigend.
Het maakt niet uit wat de situatie was, hoe ik het onder controle had kunnen houden of zelfs had kunnen voorkomen.

Mijn lichaam was wakkergeschrokken.

Wat er overbleef is het besef van onveiligheid. De onveiligheid die ik ervoer direct na het gooien. Ik raakte volledig van de kaart en erg emotioneel. Ik viel terug in automutileren, mijn gedachten stonden in dienst van waardeloosheid en mijn therapie werd opgekrikt naar twee keer in de week. Naar het werk durfde ik niet terug. ‘Ik kan het niet.’
Mijn lichaam is wakker gemaakt. In alle vezels, en dat zie ik nu, maanden later, pas in; Mijn lichaam moet zich eerder zó onveilig gevoeld hebben. Dat blijft me achtervolgen.

Mijn lichaam Is begonnen met mij het verhaal te vertellen. Mijn verhaal.

Ik maak grote stappen in therapie. Ik ga meer voelen, ik kan de emoties beter benoemen en laten bestaan. Maar tegelijkertijd voelt het alsof het alleen maar erger wordt.
Het zou zo fijn zijn als het gewoon, eventjes, rustig mag worden. Dat de puzzelstukjes zich neerleggen en ik kan beginnen aan mijn nieuwe leven. Op een vaste bodem, waar niet nog een laag onder zit. En nog een. En nog een. Dat ik weet waar dit over gaat. Dat ik het kan benoemen en delen. Dat ik eindelijk kan gaan spreken.
Dat ik in de spiegel kijken kan en gewoon alleen mezelf kan zien.

Met die mooie oogjes.
En dat het goed Is.
Alles wat er Is.
Nu. Ik.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

CommentLuv badge

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.